Conclusie
middelklaagt dat het hof het bestanddeel “ontuchtige handeling” te ruim heeft uitgelegd, althans dat het hof ondeugdelijk, dan wel onvoldoende, heeft gemotiveerd waarom de handeling van de verdachte een ontuchtige handeling in de zin van art. 246 Sr Pro oplevert, nu het hof de intentie van de verdachte in het midden heeft gelaten.
“Uit de Aanvulling op het verkort vonnis van 13 oktober 2015
“Bewijsoverweging
NJ2016/132, m.nt. Rozemond geven daar voorbeelden van. [7]
NJ2012/573, m.nt. Schalken al laten zien: het oordeel van het hof dat het op straat aanraken van de billen van een passerende vrouw ontucht oplevert, terwijl wellicht de seksuele intentie daartoe bij de verdachte (een 13-jarige jongen, die daaraan voorafgaand met zijn vriendje sneeuwballen naar de vrouw had gegooid) ontbrak, geeft – gelet op hetgeen de door het hof gebezigde bewijsmiddelen inhouden omtrent hetgeen feitelijk is geschied, aldus nadrukkelijk de Hoge Raad in die zaak – blijk van een te ruime, en dus onjuiste, uitleg van de in art. 246 Sr Pro voorkomende uitdrukking “ontuchtige handelingen”. Wel ontuchtig was de handelwijze die ter beoordeling stond in HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1195. Met de zaak die tot dat arrest heeft geleid, laat zich de onderhavige zaak vergelijken. In een café had de verdachte een hem passerende vrouw onverhoeds van achteren met twee handen bij haar billen vastgepakt en er met kracht in geknepen. In hoger beroep werd het verweer gevoerd dat de verdachte geen seksuele intentie had en het om een kwajongensstreek ging, zodat geen sprake was van een ontuchtige handeling. Het hof keek daar anders tegenaan: het door een 21-jarige man knijpen in de billen van een voor hem onbekende vrouw in een café, is wel degelijk te beschouwen als een handeling van seksuele aard en in strijd met een sociaal-ethische norm. Dat het zou gaan om een kwajongensstreek deed daar volgens het hof niet aan af. Het tegen dat oordeel gerichte middel, strandde in de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering van de Hoge Raad.
NJ2016/132 en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3356,
NJ2016/131 mijns inziens er terecht op gewezen dat het een algemeen bekend gegeven is dat vrouwen gedragingen als de onderhavige als een inbreuk op hun seksuele integriteit ervaren. Ook mijn voormalige ambtgenoot Vellinga deelt die opvatting en voegt daaraan treffend toe: “Het moge zo zijn dat vrouwen zich gedragingen als de onderhavige noodgedwongen hebben laten aanleunen, maar zoals bijvoorbeeld de toegenomen aandacht voor ongewenste intimiteiten op de werkvloer laat zien, zijn de tijden – en daarmee de sociaal-ethische normen – veranderd.”