Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
1 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen verdachte die wordt verweten onjuiste en onvolledige aangiften omzetbelasting te hebben gedaan over de periode juli 2003 tot en met april 2004. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte telkens opzettelijk een te laag belastbaar bedrag had opgegeven, wat leidde tot een lagere belastingheffing.
Het hof baseerde zich op feiten dat verdachte telefoonkaarten factureerde aan een Belgisch bedrijf [A], terwijl deze kaarten feitelijk in Nederland werden verkocht. Verdachte zou ondanks vermoedens en informatie over een strafrechtelijk onderzoek niet voldoende onderzoek hebben gedaan naar de ware afnemer, waardoor hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de aangiften onjuist waren.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of het werkelijk in aanmerking te nemen belastbare bedrag hoger is dan het opgegeven bedrag, mede in het licht van een eerdere uitspraak van de belastingkamer over de rechtmatigheid van de vooraftrek van omzetbelasting. Daarom wordt het arrest vernietigd voor zover het betreft de bewezenverklaring dat verdachte een te laag belastbaar bedrag heeft opgegeven.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling over de bewezenverklaring van het te lage belastbare bedrag.