Conclusie
3.Waar het over gaat
4.Bewezenverklaring en bewijsoverweging
C1
A3.1tot en met
A3.3vermeld.
C3.1tot en met
C3.3)
C3weergegeven feiten en omstandigheden vast dat de door verdachte in de ten laste gelegde periode aan [A] gefactureerde telefoonkaarten feitelijk niet aan [A] in België zijn geleverd maar aan afnemers in Nederland ( [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en/of [betrokkene 5] ) die deze kaarten op de Nederlandse markt hebben doorverkocht. De leveringen aan [A] betroffen derhalve feitelijk binnenlandse leveringen van (multi-purpose) telefoonkaarten.
B3.10en
B3.11) hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. De enkele omstandigheden dat het vervoersbedrijf van [betrokkene 4] en [betrokkene 2] in Rotterdam gevestigd was en dat [betrokkene 2] met een Nederlands kenteken reed, acht het hof daartoe niet voldoende. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat [betrokkene 2] [A] vertegenwoordigde. De facturen werden bij ontvangst afgestempeld met een stempel van [A] en ook de betalingen verliepen steeds correct.
vanafhet moment dat bij verdachte op 23 juli 2003 het faxbericht binnenkomt met informatie over een strafrechtelijk onderzoek contra [betrokkene 9] , eigenaar van [D] . Uit de bij dit faxbericht gevoegde bijlagen blijkt immers concreet van de verdenking dat [betrokkene 9] tezamen met verdachte opzettelijk onjuist aangifte omzetbelasting heeft gedaan en daarnaast wordt expliciet melding gemaakt van het vermoeden dat de door verdachte aan Belgische afnemers (in casu [A] ) gefactureerde telefoonkaarten rechtstreeks aan een Nederlandse afnemer zijn geleverd. (zie
C.3.10)
C3.12)
C4.1) over een binnenlandse levering van telefoonkaarten (ten tijde van het ten laste gelegde) evenmin omzetbelasting verschuldigd was maakt dit niet anders. In dat geval had verdachte immers evenmin recht op aftrek van voorbelasting ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wet op de Omzetbelasting. Nu verdachte de door Calling Card in rekening gebrachte omzetbelasting als voorbelasting in aftrek bracht is naar het oordeel van het hof- ook in geval de hiervoor genoemde achterhaalde Resolutie van de Staatssecretaris wordt gevolgd en geen omzetbelasting werd berekend over de leveringen van telefoonkaarten aan [A] - nog immer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan.
C3.12.
C2in al zijn onderdelen.”
5.Bespreking van het eerste middel
Gevolgen voor [verdachte]
bijlage 8). En niet alleen [verdachte] , ook andere belastingplichtigen als KPN en Calling Card.
vanafhet moment dat bij verdachte op 23 juli 2003 het faxbericht binnenkomt. Uit de bij dit faxbericht gevoegde bijlagen blijkt immers concreet van de verdenking dat [betrokkene 9] tezamen met verdachte opzettelijk onjuist aangifte omzetbelasting heeft gedaan en daarnaast wordt expliciet melding gemaakt van het vermoeden dat de door verdachte aan Belgische afnemers gefactureerde telefoonkaarten rechtstreeks aan een Nederlandse afnemer zijn geleverd. Op grond van deze informatie moet het verdachte duidelijk zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de door verdachte aan [A] geleverde telefoonkaarten niet daadwerkelijk in België werden geleverd. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, ligt in de overwegingen van het Hof als zijn oordeel besloten dat verdachte onmiddellijk vanaf de ontvangst van het faxbericht wordt geacht voorwaardelijk opzet te hebben gehad en niet eerst na het namens hem ingestelde en door [medeverdachte] verrichte onderzoek naar aanleiding van de door hem ontvangen fax. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Het ernstige vermoeden dat de telefoonkaarten niet daadwerkelijk in België werden geleverd, is immers reeds ontstaan met de ontvangst van het faxbericht. Ten tijde van het invullen van het aangifteformulier op 1 augustus 2003 was er dan ook sprake van voorwaardelijk opzet.
6.Bespreking van het tweede middel
7.Bespreking van het derde middel
8.Bespreking van het vierde middel
Strekkingsvereisten en pleitbaar standpunt
bijlage 11, brief adviseur aan B’dienst d.d. 28 juni 2002). Dus ten tijde van het doen van de betreffende aangiften bestond dit pleitbare standpunt al. Door de verschillende bestaande opinies in den lande kun je zeggen dat alles goed was. Wel of geen BTW afdragen. Beide opties waren in overeenstemming met het recht. Daarmee is het opzet uit de delictsomschrijving van artikel 69 AWR Pro komen te vervallen. Aan het strekkingsvereiste wordt ook dan niet eens toegekomen.