Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van klager tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, die klager niet-ontvankelijk verklaarde in zijn klaagschrift gericht op teruggave van in beslag genomen voorwerpen.
De rechtbank oordeelde dat het beslag was geëindigd door vernietiging van de voorwerpen met toestemming van de officier van justitie, op grond van artikel 117 Sv Pro. Volgens artikel 134, tweede lid, onder c, Sv eindigt het beslag daardoor, waardoor het klaagschrift niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep. Hiermee wordt bevestigd dat na vernietiging van de voorwerpen het beslag is beëindigd en geen grond meer bestaat voor het klaagschrift tot teruggave.
De beschikking is gegeven door de vice-president en twee raadsheren, uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 22 december 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep wegens beëindiging van het beslag na vernietiging van de voorwerpen.