ECLI:NL:PHR:2023:377

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
31 maart 2023
Zaaknummer
22/02585
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:1 ADWArt. 73 Wet op de accijnsArt. 117 SvArt. 119 SvArt. 134 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen niet-ontvankelijkverklaring in beklag over vernietiging in beslag genomen tabaksproducten

De zaak betreft een cassatieberoep van klager tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland die hem niet-ontvankelijk verklaarde in zijn beklag op grond van artikel 552a Sv. Klager had rooktabak en sigaretten in beslag genomen gekregen bij zijn aanhouding op Schiphol wegens vermoedelijke overtreding van de aangifteplicht en accijnswetgeving. De officier van justitie verleende een machtiging tot vernietiging van de goederen, die in 2020 werd uitgevoerd. Klager diende daarop een klaagschrift in tot teruggave van de goederen, maar de rechtbank oordeelde dat het beslag door de machtiging tot vernietiging was beëindigd en verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk.

Het cassatieberoep richtte zich op de stelling dat de vernietiging niet volgens de wettelijke voorschriften was verlopen, omdat voorafgaand aan de vernietiging geen waardebepaling was verricht zoals vereist in artikel 117 lid 3 Sv Pro en artikel 14 Besluit Pro inbeslaggenomen voorwerpen. De Hoge Raad overweegt echter dat het verzuim om de waarde te bepalen geen gevolgen heeft voor de geldigheid van de machtiging tot vernietiging zelf en dat het beslag reeds door de machtiging is beëindigd. Hierdoor is beklag op grond van artikel 552a Sv niet meer mogelijk.

De Hoge Raad bevestigt dat alleen wanneer vernietiging zonder machtiging heeft plaatsgevonden het beslag niet is beëindigd en beklag ontvankelijk is. Voor vergoeding van de vernietigde goederen moet klager de civiele rechter benaderen. De conclusie van de procureur-generaal leidt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het beslag door de machtiging tot vernietiging rechtsgeldig is beëindigd en klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02585 B
Zitting4 april 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beschikking van 21 maart 2022 de klager niet-ontvankelijk verklaard in het op grond van art. 552a Sv ingediende beklag, strekkende tot een last tot teruggave van de onder hem in beslag genomen rooktabak en sigaretten.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dit middel richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn klaagschrift.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het middel faalt en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

2.Aanleiding en verloop van de procedure

2.1
Op 29 mei 2019 is de klager geland op luchthaven Schiphol na een vlucht vanuit Qatar (via Turkije). Bij controle door de douane bleek de klager twee tassen en een rugtas vol met rooktabak en sigaretten bij zich te hebben. Daarop is de klager aangehouden op verdenking van overtreding van de aangifteplicht (als bedoeld in art. 139 DWU Pro/ art. 10:1 ADW Pro) en omdat tabaksproducten niet zijn voorzien van de voorgeschreven accijnszegels (artt. 73 en 102 Wet op de accijns). Bij zijn aanhouding zijn de volgende goederen in beslag genomen:
- 1020 pakjes van 50 gram rooktabak, merk Golden Leaf;
- 105 pakjes van 50 gram rooktabak, merk Amber Leaf;
- 181 stuks Marlboro sigaretten.
2.2
Klager heeft geen afstand gedaan van de in beslag genomen goederen. Op 30 juli 2019 heeft de officier van justitie de beslissing genomen om de in beslag genomen goederen te vernietigen. Aan die beslissing is op 11 augustus 2020 (!) uitvoering gegeven. Daartoe uitgenodigd door een mail van 12 oktober 2021 van de raadsman van de klager, heeft de officier van justitie bij brief van 20 oktober 2021 de raadsman laten weten dat de zaak tegen klager is geseponeerd omdat “het feit 2½ jaar geleden is gepleegd en er geen zicht is op een nieuwe zittingsdatum”. [1]
2.3
Namens de klager is op 23 december 2021 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot teruggave van de onder hem in beslag genomen rooktabak en sigaretten. Het klaagschrift is op 7 maart 2022 in openbare raadkamer behandeld. De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank heeft daar op 21 maart 2022 op beslist.

3.De beschikking

3.1
De rechtbank heeft in haar beschikking hetgeen door partijen is aangevoerd als volgt samengevat:

Beklag
Het beklag strekt tot een last tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen. De raadsman van klager heeft aangevoerd dat het beslag niet is geëindigd door de vernietiging van de goederen. Deze vernietiging is – gelet op artikel 117 Van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) – niet volgens de wettelijke voorschriften verlopen, aangezien de waarde niet is bepaald. Indien de goederen meer dan 2.000 euro waard zijn – hetgeen hier het geval is –, had er een second opinion moeten hebben plaatsgevonden, ook dat is niet gebeurd. Voor de rechtsgevolgen heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2019:2470) hof: vernietiging had hier plaatsgevonden zonder machtiging, zodat volgens hof geen [sprake was van] beëindiging beslag.
Bij het sepot heeft het Openbaar Ministerie niet een vordering ingediend om de inbeslaggenomen goederen verbeurd te verklaren of te onttrekken aan het verkeer. Dat had ook gekund. Klager is aangehouden omdat hij geen accijns had betaald. Vervolgens is de zaak geseponeerd. Vandaag gaat het om de vraag of de goederen terecht vernietigd zijn.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft primair verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beklag. De goederen zijn rechtmatig vernietigd. Het beslag is daarmee beëindigd.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond verklaard dient te worden. Het gaat om goederen die zonder toezicht en controle zijn ingevoerd. Het ging niet om een enkele slof te veel, maar om tassen vol met sigaretten en tabak. Dat mag niet zomaar worden ingevoerd. Waardebepaling is daarbij niet aan de orde. Alleen een machtiging op grond van artikel 117 Sv Pro is voldoende om de goederen te vernietigen. Het was beter geweest als er bij het sepot een onttrekking aan het verkeer was gevorderd, maar door het sepot kunnen de goederen desondanks worden vernietigd.
Naar het oordeel van de officier van justitie is sprake van een strafbaar feit. Een schadevergoeding is daarbij niet redelijk en billijk.”
3.2
De rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag en daartoe overwogen:
“Op 30 juli 2019 is de machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv Pro verleend door de officier van justitie, waardoor ingevolge artikel 134, tweede lid, onder sub c Sv het beslag wordt beëindigd. De raadsman heeft onder verwijzing naar artikel 117 lid 3 Sv Pro gesteld dat er geen waarde is bepaald en derhalve de machtiging niet aan de eisen van de wet voldoet, zodat het beslag nog niet is geëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt reeds door de verlening van de machtiging het beslag beëindigd. Artikel 117 lid 3 Sv Pro jo. artikel 14 lid 1 Besluit Pro inbeslaggenomen voorwerpen, inhoudende – kort gezegd – dat de waarde van het voorwerp bij het einde van het beslag dient te worden bepaald, is opgenomen met het oog op artikel 119, tweede lid, Sv (Kamerstukken II, 1993/94, 23 692, 3, p. 14). Dit betreft de uitvoering van de machtiging en niet de verlening van de machtiging. Indien de waarde van de goederen niet is geschat voordat aan de machtiging tot vernietiging uitvoering is gegeven, heeft dit derhalve geen gevolgen voor het alsdan reeds beëindigde beslag.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het beslag op de pakken rooktabak en sigaretten is beëindigd door verlening van de machtiging tot vernietiging, zodat klager niet kan worden ontvangen in zijn beklag.”

4.Het middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank de klager “ten onrechte niet-ontvankelijk [heeft] verklaard in zijn beklag” doordat “de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beslag door de verlening van de machtiging” tot vernietiging als bedoeld in art. 117 Sv Pro, is beëindigd, terwijl art. 117 lid 3 jo Pro art. 14 lid 1 Besluit Pro inbeslaggenomen voorwerpen (Biv) niet is nageleefd.
4.2
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
Art. 117 lid 1 tot Pro en met lid 3 Sv:
“1. De inbeslaggenomen voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging.
2. De in het eerste lid bedoelde machtiging kan door het openbaar ministerie worden verleend ten aanzien van voorwerpen
a. die niet geschikt zijn voor opslag;
b. waarvan de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde;
c. die vervangbaar zijn en waarvan de tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald.
Ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt slechts machtiging tot vernietiging verleend.
3. De in het eerste lid bedoelde machtiging is gericht tot de bewaarder of aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun vervoer naar de bewaarder onder zich heeft. Degene aan wie de machtiging is gericht, draagt zorg voor de bepaling van de waarde die het voorwerp op dat moment bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht.”
Art. 119 lid 1 en Pro 2 Sv:
“1. Een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp dat in bewaring is gegeven, is gericht tot de bewaarder.
2. Indien de bewaarder niet aan de last tot teruggave kan voldoen, omdat de bewaring van het voorwerp overeenkomstig de machtiging, bedoeld in artikel 117, tweede lid, dan wel op de wijze voorzien in artikel 118, derde lid, is beëindigd, gaat de bewaarder over tot uitbetaling van de prijs, die het voorwerp bij verkoop door hem heeft opgebracht of redelijkerwijze zou hebben opgebracht.”
Art. 134 lid Pro 2, aanhef en onder c, Sv:
“2. Het beslag wordt beëindigd doordat (…)
c. de machtiging als bedoeld in artikel 117 is Pro verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd.”
Art. 14 lid 1 Biv Pro:
“1. Alvorens aan een verkregen machtiging tot het vernietigen, prijsgeven of bestemmen tot een ander doel dan het onderzoek uitvoering wordt gegeven, wordt de prijs geschat, die het betrokken voorwerp bij verkoop redelijkerwijs zou moeten opbrengen.”
4.3
Op grond van art. 117 Sv Pro is het openbaar ministerie bevoegd om – zonder rechterlijke tussenkomst [2] – aan de bewaarder of de ambtenaar als bedoeld in art. 117 lid 3 Sv Pro – een machtiging tot vernietiging van in beslag genomen voorwerpen te verlenen. Art. 117 lid 3 Sv Pro in verbinding met art. 14 Biv Pro bepaalt dat voorafgaand aan de uitvoering van de machtiging tot vernietiging de waarde van het voorwerp dient te worden geschat. Wanneer na een last tot teruggave [3] blijkt dat hier niet aan kan worden voldaan omdat het voorwerp als gevolg van een machtiging als bedoeld in art. 117 Sv Pro niet meer beschikbaar is, kan op grond van art. 119 lid 2 Sv Pro aan die last uitvoering worden gegeven door uitbetaling van de prijs die de voorwerpen bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen.
4.4
Ingevolge art. 134 lid Pro 2, onder c, Sv eindigt het beslag wanneer vaststaat dat een in beslag genomen voorwerp is vernietigd op grond van een machtiging als bedoeld in art. 117 Sv Pro en het voorwerp niet om baat is vervreemd. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad betekent dit dat beklag als bedoeld in art. 552a Sv niet meer kan worden gedaan. [4] Niet alleen over het ‘gebruik’ van het in beslag genomen voorwerp vanwege (dreigende) vernietiging, maar ook over het uitblijven van een last tot teruggave van een inmiddels vernietigd voorwerp kan uit hoofde van art. 552a Sv niet meer worden geklaagd. [5] Wel staat in die gevallen de weg naar de civiele rechter open. [6]
4.5
Wanneer een voorwerp is vernietigd zonder machtiging van de officier van justitie is het beslag niet geëindigd en is de klager wél ontvankelijk in zijn klaagschrift. [7] Bij een last tot teruggave waar feitelijk geen gevolg aan kan worden gegeven omdat het voorwerp (onrechtmatig) is vernietigd, is art. 119 lid 2 Sv Pro van overeenkomstige toepassing en dient de bewaarder over te gaan tot betaling van de prijs die het voorwerp bij verkoop zou hebben opgebracht. [8]
4.6
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank vastgesteld dat de in beslag genomen voorwerpen zijn vernietigd op grond van een machtiging als bedoeld in art. 117 Sv Pro. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge art. 134 lid Pro 2, onder c, Sv het beslag door deze machtiging is beëindigd en dat de klager daarom niet kan worden ontvangen in zijn beklag. Dat oordeel is gelet op het voorgaande op zichzelf juist.
4.7
Het betoog van de raadsman dat het beslag niet zou zijn beëindigd omdat de vernietiging niet volgens de wettelijke voorschriften is verlopen, meer in het bijzonder omdat is verzuimd op grond van art. 117 lid 3 Sv Pro de waarde van de in beslag genomen voorwerpen te bepalen, is door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat bedoelde waardebepaling de
uitvoeringvan de machtiging betreft en niet de
verleningvan de machtiging. “Indien de waarde van de goederen niet is geschat voordat aan de machtiging tot vernietiging uitvoering is gegeven, heeft dit derhalve geen gevolgen voor het alsdan reeds beëindigde beslag”, aldus de rechtbank. Volgens de steller van het middel is dit oordeel onbegrijpelijk en/of in strijd met het recht. Ter onderbouwing van die opvatting wordt in de toelichting op het middel aansluiting gezocht bij de jurisprudentie die geldt in het geval het beslag is vernietigd
zondermachtiging tot vernietiging. [9] Dan is het beslag niet beëindigd en kan de belanghebbende zich tot de beklagrechter wenden. Volgens de steller van het middel moet die lijn ook worden gevolgd wanneer niet in overeenstemming met de wettelijke voorschriften (in dit geval art. 117 lid 3 Sv Pro en art. 14 lid 1 Biv Pro) is vernietigd.
4.8
Ik zie dat anders. Het enkele feit dat degene aan wie de machtiging is gericht heeft verzuimd “zorg [te dragen] voor de bepaling van de waarde die het voorwerp op dat moment bij verkoop redelijkerwijs zou hebben opgebracht” (als bepaald in art. 117 lid 3 Sv Pro), doet niet af aan de rechtsgeldigheid van de daaraan voorafgaande, op grond van art. 117 lid 2 Sv Pro verleende, machtiging. De machtiging tot vernietiging is ook niet voorwaardelijk in die zin dat zij pas geldt nadat een waardebepaling heeft plaatsgevonden. Reeds de afgifte van de machtiging betekent dat op grond van art. 134 lid Pro 2, onder c, Sv het beslag is beëindigd, zodat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag.
4.9
De overweging van de rechtbank dat het in art. 117 lid 3 Sv Pro bepaalde is gericht op de
uitvoeringvan de machtiging en niet op de
verleningvan machtiging is niet onbegrijpelijk en evenmin in strijd met het recht. Terecht wijst de rechtbank op de wetsgeschiedenis waaruit volgt dat deze bepaling in de wet is opgenomen met het oog op art. 119 lid 2 Sv Pro voor het geval een last tot teruggave wordt gegeven en het voorwerp reeds is vernietigd. [10] Art. 117 lid 3 Sv Pro behelst geen constitutief vereiste voor de afgifte van de machtiging zelf.
4.1
Uit het voorgaande volgt dat voor zover de klager meent aanspraak te kunnen maken op een vergoeding voor de vernietigde rookwaar, hij daartoe enkel nog de weg van de civiele rechter (als restrechter) kan bewandelen. Aangezien exact vast staat wat de omvang en de samenstelling van het inmiddels vernietigde beslag is geweest en welke accijns daarvoor bij aangifte had moeten worden betaald (volgens productie 1 bij het klaagschrift een bedrag van € 8.288,05) lijkt een reële berekening van de waarde van het beslag mogelijk zonder dat het beslag feitelijk nog beschikbaar is.

5.Slotsom

5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie productie 4 bij het klaagschrift. Uit productie 5 bij het klaagschrift blijkt dat de officier van justitie op 12 oktober 2021, mogelijk naar aanleiding van de mail van de raadsman, de zaak heeft geseponeerd (zij het met de sepotgrond ‘verdachte onvindbaar’).
2.Tot 1996 konden in beslag genomen voorwerpen alleen worden vervreemd met machtiging van de rechter. Zie daarover M.J. Borgers, ‘Rechtsbescherming bij vervreemding van in beslag genomen voorwerpen’, in:
3.De last kan afkomstig zijn van het OM, de beklagrechter (art. 552a jo. art. 552e lid 1 Sv) of van de rechter ter terechtzitting bij einduitspraak (art. 353 lid 2 Sv Pro).
4.HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3710, rov. 2.3; HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:972, rov. 3.3.
5.HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5406, rov. 3.4.4. Zie uitgebreider hierover: Vellinga-Schootstra, 2016, p. 343-336 meer in het bijzonder over de rechtspraak van de HR op dit vlak in het licht van de wetsgeschiedenis en de – vanuit diverse hoeken – hierop geuite kritiek in verband met de rechtsbescherming. NB: Naar toekomstig recht zal in raadkamer ook kunnen worden verzocht om de teruggave van een inmiddels vernietigd voorwerp (of althans van de waarde ervan); beoogd wordt aan de huidige rechtspraak – waarin een vernietiging tot gevolg heeft dat niet meer in de beklagprocedure kan worden verzocht om teruggave – een einde te maken (Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3 (MvT), ongenummerd, online pagina 588).
6.Twee civiele procedures zijn hierbij van belang: het kort geding als wijze van rechtsbescherming vooraf en de bodemprocedure als wijze van rechtsbescherming achteraf, zie M.J. Borgers, ‘Rechtsbescherming bij vervreemding van in beslag genomen voorwerpen’,
7.HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758,
8.HR 2 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG1758,
9.Zie hiervoor onder randnummer 5.4. De steller van het middel wijst evenals de raadsman in raadkamer ook nog op een beschikking van het Hof Amsterdam van 5 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2470 waarin het hof de klager ontvankelijk achtte in zijn beklag omdat de goederen niet in overeenstemming met de wettelijke voorschriften, en zonder de machtiging als bedoeld in artikel 117 lid 1 Sv Pro, zijn vernietigd, zodat van een beëindiging van het beslag geen sprake is.
10.Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 14.