Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
27 oktober 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin zijn verzoek tot aanhouding van de strafzaak wegens ziekte werd afgewezen. Tijdens de zitting in hoger beroep was verdachte niet aanwezig, maar zijn raadsman voerde het verzoek tot aanhouding aan, ondersteund door stukken waaronder een brief van een ziekenhuis.
De advocaat-generaal betoogde dat de brief onvoldoende bewijs leverde dat verdachte niet kon verschijnen, omdat daarin stond dat verdachte een nieuwe afspraak kon maken indien hij verhinderd was. Het hof oordeelde dat het belang van een tijdige afdoening van de zaak zwaarder woog dan het belang van verdachte om aanwezig te zijn, mede omdat het verzoek al meerdere keren was gedaan en afgewezen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de rechter bij ziekteverzuim de verdachte de gelegenheid moet geven aanwezig te zijn, maar dat het belang van een behoorlijke strafvordering binnen redelijke termijn ook zwaar weegt. De rechter mag een verzoek tot aanhouding afwijzen indien onvoldoende bewijs is geleverd en het belang van voortgang prevaleert. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding wegens ziekte wordt afgewezen.