4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 juli 2012 zijn de verdachte en diens raadsman verschenen. Op die terechtzitting heeft de verdachte een deels bekennende verklaring afgelegd. De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte wegens poging tot gekwalificeerde diefstal met geweld veroordeeld.
(ii) Op 2 augustus 2012 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
(iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 10 september 2013 is op 4 juli 2013 in persoon uitgereikt aan de verdachte op een postkantoor in de woonplaats van de verdachte.
(iv) Bij faxbericht van 9 september 2013, gericht aan de voorzitter van het hof, heeft de raadsman van de verdachte (mr. Hendrickx) verzocht om aanhouding van de zaak, omdat de verdachte niet in staat is af te reizen naar Leeuwarden in verband met een ondergane operatie en het van belang is dat de verdachte bij zijn eigen zitting aanwezig is. Een aan dit aanhoudingsverzoek gehechte brief van een chirurg houdt in dat de verdachte op 2 september 2013 is geopereerd in het ziekenhuis.
(v) Op de terechtzitting in hoger beroep van 10 september 2013 zijn de verdachte en diens raadsman niet verschenen. Op die terechtzitting heeft de voorzitter van het hof medegedeeld dat aan mr. Hendrickx is bericht dat het aanhoudingsverzoek zal worden gehonoreerd. Vervolgens heeft het hof het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
(vi) De oproeping van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 21 januari 2014 is op 19 november 2013 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op diens GBA-adres.
(vii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2014 zijn de verdachte en diens raadsman niet verschenen. Op die terechtzitting heeft de voorzitter van het hof medegedeeld dat de raadsman van de verdachte, die vanuit Utrecht onderweg is naar Leeuwarden, heeft gebeld met de mededeling dat de verdachte onverwacht is opgenomen in het ziekenhuis en dat de verdachte volgens de raadsman wel graag zelf aanwezig wil zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Vervolgens heeft de voorzitter van het hof medegedeeld dat er inmiddels per fax een aanhoudingsverzoek van het kantoor van de raadsman is binnengekomen, waaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte is opgenomen in het ziekenhuis en dat hij waarschijnlijk op de dag van de terechtzitting aan een abces geopereerd moet worden, terwijl uit de omstandigheid dat de raadsman inmiddels onderweg is kan worden afgeleid dat hij niet eerder heeft geweten van de ziekenhuisopname van de verdachte. Voorts heeft het hof de behandeling van de zaak “nog eenmaal” voor onbepaalde tijd aangehouden. Daarbij heeft het hof vastgesteld dat dit, gelet op de noodzaak van een voortvarende afdoening van de strafzaak, de laatste keer is dat het onderzoek wegens de gezondheidstoestand van de verdachte wordt aangehouden.
(viii) De oproeping van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 15 april 2014 is op 25 maart 2014 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte (zijn echtgenote) op diens GBA-adres.
(ix) Op de terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2014 is de verdachte niet verschenen, maar is de raadsman van de verdachte wel aanwezig. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. Volgens de raadsman wil de verdachte wel bij de behandeling ter zitting aanwezig zijn maar is hij op dit moment niet in staat om te reizen, aangezien hij op 8 april 2014 aan abcessen is geopereerd. Ter onderbouwing van dit aanhoudingsverzoek heeft de raadsman een specialistenbericht van 9 april 2014 van een chirurg overgelegd en het volgende aangevoerd. De verdachte lijdt sinds een paar jaren aan een ziekelijke aandoening die gepaard gaat met frequente abcesvorming. In verband daarmee moet hij vaak naar het ziekenhuis. Het hoger beroep is niet gericht tegen de diefstal maar tegen het geweld en de opgelegde straf. Daarover kan de verdachte verklaren. In het kader van de overtuiging is het van belang dat de verdachte bij de behandeling van zijn zaak aanwezig is. Naar aanleiding van dit aanhoudingsverzoek heeft het hof het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. Het hof heeft daartoe overwogen dat na afweging van de betrokken belangen en omwille van het aanwezigheidsrecht de behandeling van de zaak zal worden aangehouden. In het verlengde daarvan heeft de voorzitter van het hof opgemerkt dat, in het geval zich bij de voortzetting van de behandeling onverhoopt hetzelfde beletsel mocht voordoen c.q. dreigen voor te doen, het hof daaromtrent tijdig dient te worden ingelicht en een verklaring van een arts dient te worden overgelegd waaruit blijkt dat de verdachte wegens medische redenen niet ter zitting aanwezig kan zijn.
(x) De oproeping van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 16 juli 2014 is op 8 juli 2014 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte (zijn echtgenote) op diens GBA-adres.
(xi) Op de terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2014 is de verdachte niet verschenen. Zijn raadsman is wel ter zitting aanwezig. De raadsman heeft verklaard bepaaldelijk gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De raadsman van de verdachte heeft wederom verzocht de zaak aan te houden. Ter onderbouwing van dit aanhoudingsverzoek heeft de raadsman een specialistenbericht van 2 juli 2014 overgelegd. Daaruit blijkt dat de verdachte op 2 juli 2014 is opgenomen op het dagbehandelingscentrum van het ziekenhuis (afdeling heelkunde) in Deventer vanwege “deroofing incisie en drainage abces lies en bil beiderzijds”. Ter nadere onderbouwing van het verzoek is een brief van de secretaresse heelkunde van het ziekenhuis van 15 juli 2014 overgelegd. Deze brief betreft de bevestiging van een tussen het ziekenhuis en de verdachte gemaakte afspraak, inhoudende dat de verdachte op 16 juli 2014 om 10:30 uur (op het tijdstip van de terechtzitting) wordt verwacht bij de polikliniek heelkunde van het ziekenhuis, met het verzoek contact met de polikliniek op te nemen voor het maken van een nieuwe afspraak, wanneer hij verhinderd mocht zijn op dit tijdstip. Daarnaast zijn kopieën uit het elektronisch patiëntendossier van de verdachte overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op 22 mei 2014 en op 27 mei 2014 aan een abces is geopereerd. De door de raadsman overgelegde pleitnota (gedateerd op 15 april 2014) houdt ten aanzien van het aanhoudingsverzoek het volgende in: