Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Slotsom
4.Beslissing
28 juni 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd aan betrokkene, veroordeeld voor witwassen, belastingfraude en valsheid in geschrift.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op ruim 1,6 miljoen euro, onder meer gebaseerd op contante stortingen op Duitse en Luxemburgse bankrekeningen en de waardestijging van onroerend goed op Ibiza. Betrokkene was echter vrijgesproken van witwassen met betrekking tot het onroerend goed op Ibiza.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onterecht het bedrag van de waardestijging van het onroerend goed bij het ontnemingsbedrag heeft betrokken, omdat betrokkene daarvoor is vrijgesproken. Ook is de opvatting dat contante stortingen op buitenlandse bankrekeningen als wederrechtelijk voordeel gelden, onjuist zonder nadere motivering.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel binnen het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.