ECLI:NL:PHR:2017:584

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2017
Publicatiedatum
5 juli 2017
Zaaknummer
15/04813
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 1 lid 4 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over omvang wederrechtelijk verkregen voordeel bij witwassen en drugssmokkel

In deze zaak gaat het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die is veroordeeld voor medeplegen van invoer van verdovende middelen en witwassen. Het hof had vastgesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 56.057,85 bedroeg, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling over de periode 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof niet voldoende heeft gemotiveerd of dit bedrag uitsluitend verband hield met het bewezenverklaarde witwassen, de drugsinvoer of andere strafbare feiten. Het hof ging kennelijk uit van de onjuiste veronderstelling dat het witgewassen bedrag automatisch gelijkstaat aan het wederrechtelijk verkregen voordeel, wat volgens vaste jurisprudentie niet juist is.

De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk is en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel met een juiste motivering. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad ondersteunt deze vernietiging en terugwijzing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Conclusie

Nr. 15/04813 P
Zitting: 23 mei 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Bij arrest van 2 oktober 2015 heeft het Gerechtshof Amsterdam met overneming van gronden de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2013 bevestigd waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 56.057,85. Het hof heeft dit bedrag vanwege een overschrijding van de redelijke termijn gematigd en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 55.000,00.
Namens de betrokkene heeft mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van € 56.057,85 door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten.
Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang houdt het door het hof bevestigde “Promisvonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht” van de rechtbank in:

6. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen
voordeel
6.1 Veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2011 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarbij is bewezenverklaard dat:
Feit 1 (Zaaksdossier B1)
Primair
hij op 12 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en invereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeftgebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet, een onbekendgebleven hoeveelheid verdovende middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst 1;
Feit 2 (Zaaksdossier B13)
hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010, te Amsterdam althans inNederland, enig geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dit geldbedrag- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.”
En:

6.3. De beoordeling
(…)
De beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder vermeld parketnummer aangelegd straf- en ontnemingsdossier aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank sluit bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan bij de voornoemde ontnemingsrapportage en de daarin genoemde bewijsmiddelen die daar als bijlagen zijn bijgevoegd en voor zover deze niet daaruit volgen, uit het vonnis van de rechtbank d.d. 13 mei 2011.
Het wederrechtelijk genoten voordeel, ten bedrage van € 56.057,85, is het resultaat, zo volgt uit het ontnemingsrapport, van een eenvoudige kasopstelling waarin alle vastgestelde legale ontvangsten en alle vastgestelde uitgaven zijn verwerkt. Uit de kasopstelling volgt dat veroordeelde in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010 een bedrag van € 57.571,65 (later bijgesteld naar € 56.057,85) méér heeft uitgegeven dan zijn legale inkomsten in de betreffende periode hebben bedragen.”
5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit inmiddels bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat geldbedragen die het voorwerp zijn van het bewezenverklaarde witwassen, niet
reeds daardoorwederrechtelijk verkregen voordeel vormen. [1] Die bewering is op zichzelf juist, in die zin dat het voordeel dat wederrechtelijk zou zijn verkregen niet zonder meer gelijkgesteld mag worden aan het witgewassen geldbedrag dat de betrokkene slechts voorhanden heeft (gehad). [2]
6. De vraag is nu of het hof die rechtspraak in de onderhavige zaak heeft miskend. Op het eerste gezicht lijkt dat niet het geval te zijn. Zo wordt onder het hiervoor weergegeven hoofd “6. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel” niet alleen het witwasfeit genoemd, maar ook het op 12 september 2009 binnen het Nederlands grondgebied brengen van een onbekend gebleven hoeveelheid verdovende middelen, en voorts in meervoud gesproken over voordeel dat door middel van of uit de baten van de ingevolge het strafvonnis bewezenverklaarde strafbare
feiten(meervoud) is verkregen. Ook heeft het hof nergens expliciet gezegd dat enkel het bewezenverklaarde witwassen tot het door de betrokkene verkrijgen van voordeel heeft geleid.
7. Daar staat evenwel het volgende tegenover. Onder 6.3 luidt de overweging in het sub-kopje “De beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel” dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het
feit(enkelvoud) waarvoor hij is veroordeeld. Verder is het voordeel berekend en ontnomen over de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010. Deze periode komt exact overeen met de bewezenverklaarde witwasperiode. Alleen daaruit kan al worden afgeleid dat het berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel niet (alleen) aan de invoer van verdovende middelen op 12 september 2009 is gerelateerd, maar (grotendeels) aan het delict van witwassen. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat door het hof (in navolging van de rechtbank) nergens wordt gerept van “andere strafbare feiten” als bedoeld in het tweede dan wel het derde lid van art. 36e Sr. [3]
8. Daarbij komt dat aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in onderdeel 6.3 de ontnemingsrapportage en de daarin gehanteerde methode van eenvoudige kasopstelling ten grondslag zijn gelegd. [4] Blijkens deze rapportage heeft het financiële onderzoek zich uitgestrekt over het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010 en is, aan de hand van financiële bescheiden, het contante/girale (kas)verkeer nader geanalyseerd en daarbij een verschil tussen legale inkomsten en feitelijke contante uitgaven vastgesteld ten bedrage van € 57.171,65. In de rubriek “feitelijke contante uitgaven” zijn twee kasstortingen (€ 78.800,00 onderscheidenlijk € 73.360,00), moneytransfers (€ 3.000,00) en diverse facturen uit de woning (€ 16.237,65) ondergebracht. Dat verschil (tekort) betekent dat de betrokkene in de genoemde periode tenminste het vastgestelde bedrag meer heeft uitgegeven dan mogelijk is van het getraceerde legale inkomsten, met dien verstande dat per abuis geen rekening is gehouden met de girale betaling van € 1.513,80 ten behoeve van twee vliegtickets, welke betaling het hof in navolging van de rechtbank in mindering heeft gebracht op het bedrag van € 57.171,65, zodat het wederrechtelijk door de betrokkene verkregen voordeel uiteindelijk is geschat op € 56.057,85.
9. Op grond van het voorgaande meen ik dat het hof kennelijk als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat (ook) het witwassen in de bewezenverklaarde pleegperiode heeft geleid tot het door de betrokkene wederrechtelijk verkrijgen van vermogen tot het bedrag van € 56.057,85. Dat oordeel heeft het hof kennelijk gebaseerd op de opvatting dat onder meer de contante kasstortingen, nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is echter niet juist. [5]
10. Mitsdien is het kennelijke oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van € 56.057, 85 (mede) door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk en klaagt het middel daarover terecht.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer: HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331; HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3485; HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3172; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3051; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:233 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217,
2.Zie voor een nadere toelichting mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2015:1490.
3.Vgl. HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3051 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414,
4.Zie over de berekeningsmethode van eenvoudige kasopstelling nader HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414,
5.Zie de in voetnoot 1 genoemde arresten.