Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2015, waarin hij werd veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie op grond van artikel 140 Sr Pro. Namens verdachte heeft advocaat M.J.N. Vermeij middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is uitgesproken op 5 juli 2016 door de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en vier raadsheren aanwezig waren. Het beroep is formeel verworpen, waarmee het arrest van het Hof Amsterdam in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, waardoor het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand blijft.