Conclusie
1.Het cassatieberoep
De bewezenverklaring van feit 1, de bewijsvoering en het verhandelde ter terechtzitting
4. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
10 november 2023
FEIT 1; WITWASSEN
3.Het tweede middel
uit enig misdrijf afkomstig zijn,’ onbegrijpelijk is, nu deze bewezenverklaring niet zonder meer uit de gebezigde bewijsvoering volgt, zulks mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht.”
4.Het eerste middel
een gewoonteheeft gemaakt van
schuldwitwassen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans innerlijk tegenstrijdig en daardoor onbegrijpelijk is, nu ‘schuldgewoontewitwassen’ geen wettelijke strafbaarstelling kent en het bewezenverklaarde gewoontewitwassen (aldus) opzet impliceert, van welk opzet het hof (de verdachte) nu juist nadrukkelijk heeft vrijgesproken” en in de tweede plaats dat het hof “het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft gekwalificeerd als “
van het plegen van witwassen een gewoonte maken en medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, terwijl de bewezenverklaring, die inhoudt dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat de daarin genoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, die kwalificatie niet kan dragen.”
schuldwitwassen een gewoonte heeft gemaakt. In de tweede plaats niet omdat de verdachte, zoals hiervoor geconcludeerd, moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde “van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt”. Het hof had het bewezenverklaarde dan ook moeten kwalificeren als “schuldwitwassen en medeplegen van schuldwitwassen”. In het middel wordt ook hierover terecht geklaagd. Ook op dit punt geldt dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen en de kwalificatie in deze zin kan verbeteren. [11]
5.De bewezenverklaring van feit 2 en de bewijsvoering
5. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2
jullie’ en
julliemoeten hem helpen, heb hem nooit zo gezien hoe hij met jullie is en die man is loyaal’.
6.Het derde en het vierde middel
het derde middelwordt geklaagd dat de bewezenverklaring onder 2 niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat “uit de gebezigde bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat (de verdachte) – in zijn algemeenheid – wetenschap had van het bestaan van een organisatie met een ‘crimineel oogmerk’.
het vierde middelwordt geklaagd dat de bewezenverklaring onder 2, voor zover inhoudende “dat (de verdachte) heeft deelgenomen aan en dus behoorde tot een criminele organisatie, in strijd is met de inhoud van de door het hof in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, althans doordat deze bewezenverklaring zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
had moetenweten. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat requirant slechts ‘in zijn algemeenheid’ (onvoorwaardelijk) moest weten dat de organisatie misdrijven op het oog had: immers is bij een bewezenverklaring van opzettelijk witwassen ook niet noodzakelijk dat de witwasser weet uit wat voor misdrijf het afkomstig is, slechts dat het uit misdrijf afkomstig is. Het Hof kon tot die bewezenverklaring echter niet komen. Dat het Hof – voor zover op basis van dat schuldwitwassen – wel tot onvoorwaardelijk opzet op deelname aan organisatie komt, is dan ook onbegrijpelijk.” In de toelichting op het vierde middel wordt geklaagd dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom de verdachte volgens het hof behoorde tot de criminele organisatie terwijl het hof schuldwitwassen bewezen acht. Daartoe wordt gesteld dat uit de bewezenverklaring van schuldwitwassen blijkt dat de verdachte “in essentie door het hof als katvanger is geduid” en dat de verdachte “niet echt wist” waartoe het formele huren – zodat anderen buiten zicht blijven – diende.
uitsluitendgebaseerd op de omstandigheid dat de verdachte tevens zal worden veroordeeld voor (schuld)witwassen. Nu deze deelklacht wel daarvan uitgaat, mist het feitelijke grondslag en kan het derhalve niet slagen.