Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:157

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2016
Publicatiedatum
29 januari 2016
Zaaknummer
15/04254
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in effectenleasezaak tegen Aegon Bank

De Vereniging Consument & Geldzaken stelde cassatieberoep in tegen meerdere arresten van het gerechtshof Amsterdam in een effectenleasezaak tegen Aegon Bank. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de procedure en behandelt de ontvankelijkheid van het beroep.

De Procureur-Generaal adviseerde het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de klachten onvoldoende gronden boden en de eiser onvoldoende belang had bij cassatie. De Hoge Raad volgt dit advies na beoordeling van de aangevoerde klachten.

Daarmee wordt het cassatieberoep afgewezen en de Vereniging veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, met nihil aan de zijde van Aegon. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Vereniging Consument & Geldzaken wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

29 januari 2016
Eerste Kamer
15/04254
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING CONSUMENT & GELDZAKEN,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne,
t e g e n
AEGON BANK N.V., mede handelend onder de naam Spaarbeleg,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
Niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Vereniging en Aegon.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 171572/HA ZA 04-45 van de rechtbank Utrecht van 4 januari 2006;
b. de arresten in de zaak 106.005.089/02 van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2007, 30 oktober 2012, 7 mei 2013, 4 maart 2014 en 7 april 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de rolbeslissing van 10 april 2012 en de arresten van het hof van 30 oktober 2012, 7 mei 2013, 4 maart 2014 en 7 april 2015 heeft de Vereniging beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Aegon is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO.
De advocaat van de Vereniging heeft bij brief van 25 december 2015 op dit standpunt gereageerd.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3-11).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt de Vereniging in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
29 januari 2016.