ECLI:NL:HR:2016:2204

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2016
Publicatiedatum
29 september 2016
Zaaknummer
15/03921
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep in cassatie wegens te late indiening schriftuur

De verdachte is in cassatie gegaan tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag betreffende poging tot doodslag. Namens verdachte heeft zijn advocaat een schriftuur ingediend, maar deze schriftuur is buiten de wettelijk gestelde termijn bij de Hoge Raad ingekomen.

De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte wegens deze termijnoverschrijding. De Hoge Raad heeft dit oordeel gevolgd en geoordeeld dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd.

Daarom verklaart de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep in cassatie. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 27 september 2016.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens te late indiening van de schriftuur.

Uitspraak

27 september 2016
Strafkamer
nr. S 15/03921
ES
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 5 juni 2015, nummer 22/003581-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.J. Kolmeijer, advocaat te Rhoon, een schriftuur ingediend, die echter eerst na afloop van de bij de wet gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 september 2016.