Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij uitspraak van 28 augustus 2020 de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 8.462,87 en aan de betrokkene ter ontneming van dat voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. Het hof heeft voorts de maximale duur van de gijzeling bepaald op 60 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/02821. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Voorafgaand aan de bespreking van het middel dient de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde te worden gesteld.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2020 is de betrokkene aldaar samen met zijn raadsman verschenen. Het hof heeft vervolgens, zoals aldaar aangekondigd, op 28 augustus 2020 uitspraak gedaan. Dit brengt mee dat het cassatieberoep op grond van art. 511h jo. art. 432, eerste lid, onder b, Sv binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof en dus uiterlijk 11 september 2020 kon worden ingesteld.
De ‘akte cassatie’ vermeldt dat het cassatieberoep is ingesteld op 14 september 2020 door een daarin genoemde administratief ambtenaar bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ‘blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde van’ betrokkene. Aan de ‘akte cassatie’ zit een faxbericht ‘bijzondere volmacht’ en bijbehorend ‘Communicatie Resultatenrapport’ gehecht. Dit faxbericht is afkomstig van mr. Thomas, de raadsman die de betrokkene in hoger beroep heeft bijgestaan. Het faxbericht is gedateerd op 8 september 2020 en geadresseerd aan de strafgriffie van de Hoge Raad der Nederlanden. Uit het ‘Communicatie Resultatenrapport‘ kan worden afgeleid dat het bericht op ‘8. Sep. 2020’ om ‘13:32’ is verstuurd naar het faxnummer ‘0707530352’; dat is het faxnummer van de strafgriffie van de Hoge Raad.
In HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856,NJ2014/231 was de vraag aan de orde of het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk had verklaard in zijn hoger beroep. Uit het arrest en de conclusie van A-G Vegter kan worden afgeleid dat de verdachte binnen veertien dagen na 27 augustus 2012 hoger beroep kon instellen en dat de (gemachtigde) advocaat de griffier bij het hof bij faxbericht op 10 september 2012 had gemachtigd om hoger beroep in te stellen. De gemachtigde advocaat had vervolgens op 13 september 2012 (en derhalve na het verstrijken van de appeltermijn) alsnog hoger beroep ingesteld bij de griffie van de juiste instantie. Uw Raad overwoog: ‘2.3. Ingevolge art. 449, eerste lid, Sv wordt hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring, af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker. Die volmacht moet dan wel zijn verleend aan een medewerker van de griffie van het gerecht door hetwelk de beslissing waarvan beroep is gegeven. Het gaat hier, in ieder geval wat betreft een advocaat, niet om een onredelijke eis.