ECLI:NL:PHR:2022:579

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
17 juni 2022
Zaaknummer
20/02821
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 SvArt. 449 SvArt. 6:15 AwbArt. 257e Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening door advocaat

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens overtreding van artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet. Tegen dit arrest werd cassatieberoep ingesteld door de raadsman van de verdachte. De kernvraag was of het cassatieberoep tijdig en ontvankelijk was ingediend.

Uit de processtukken bleek dat het cassatieberoep pas na het verstrijken van de wettelijke termijn bij de Hoge Raad was ontvangen. Hoewel binnen de beroepstermijn een fax met een bijzondere volmacht was verzonden, was deze niet gericht aan de griffie van het gerecht dat de uitspraak had gedaan, maar aan de strafgriffie van de Hoge Raad. Volgens vaste jurisprudentie is dit onvoldoende om het beroep ontvankelijk te verklaren.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was dan ook dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de advocaat niet de juiste procedure heeft gevolgd bij het instellen van het beroep. De Hoge Raad volgt deze conclusie en ziet af van inhoudelijke behandeling van de middelen. Dit arrest bevestigt dat een advocaat een redelijke eis wordt gesteld om het rechtsmiddel op de juiste wijze in te dienen en dat een doorzendplicht zoals in de Awb ontbreekt in het Wetboek van Strafvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late en onjuiste indiening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02821
Zitting10 mei 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 28 augustus 2020 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’, veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/02822. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Voorafgaand aan de bespreking van de middelen dient de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde te worden gesteld.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2020 is de verdachte aldaar samen met zijn raadsman verschenen. Het hof heeft vervolgens op 28 augustus 2020 uitspraak gedaan. Dit brengt mee dat het cassatieberoep ingevolge art. 432, eerste lid, onder b, Sv binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof en dus uiterlijk 11 september 2020 kon worden ingesteld.
De ‘akte cassatie’ vermeldt dat het cassatieberoep is ingesteld op 14 september 2020 door een daarin genoemde administratief ambtenaar bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ‘blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde van’ de verdachte. Aan de ‘akte cassatie’ zit een faxbericht ‘bijzondere volmacht’ en bijbehorend ‘Communicatie Resultatenrapport’ gehecht. Dit faxbericht is afkomstig van mr. Thomas, de raadsman die de verdachte in hoger beroep heeft bijgestaan. Het faxbericht is gedateerd op 8 september 2020 en geadresseerd aan de strafgriffie van de Hoge Raad der Nederlanden. Uit het ‘Communicatie Resultatenrapport‘ kan worden afgeleid dat het bericht op ‘8. Sep. 2020’ om ‘13:32’ is verstuurd naar het faxnummer ‘0707530352’; dat is het faxnummer van de strafgriffie van de Hoge Raad.
In HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856,
NJ2014/231 was de vraag aan de orde of het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk had verklaard in zijn hoger beroep. Uit het arrest en de conclusie van A-G Vegter kan worden afgeleid dat de verdachte binnen veertien dagen na 27 augustus 2012 hoger beroep kon instellen en dat de (gemachtigde) advocaat de griffier bij het hof bij faxbericht op 10 september 2012 had gemachtigd om hoger beroep in te stellen. De gemachtigde advocaat had vervolgens op 13 september 2012 (en derhalve na het verstrijken van de appeltermijn) alsnog hoger beroep ingesteld bij de griffie van de juiste instantie. Uw Raad overwoog:
‘2.3. Ingevolge art. 449, eerste lid, Sv wordt hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring, af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker. Die volmacht moet dan wel zijn verleend aan een medewerker van de griffie van het gerecht door hetwelk de beslissing waarvan beroep is gegeven. Het gaat hier, in ieder geval wat betreft een advocaat, niet om een onredelijke eis.
2.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat dit beroep eerst na het verstrijken van de appeltermijn ter griffie van de juiste instantie is ingesteld. De enkele omstandigheid dat – naar is gesteld – de raadsman binnen die termijn een schriftelijke volmacht heeft verzonden naar de griffie van een ander gerecht, leidt dus niet tot een ander oordeel.’
8. De raadsman van de verdachte heeft binnen de beroepstermijn naar de strafgriffie van de Hoge Raad een faxbericht inhoudende een bijzondere volmacht tot het instellen van cassatie verstuurd. Dit betreft echter niet ‘de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven’ (art. 449 Sv Pro). In het geval de verdachte niet op de juiste wijze een rechtsmiddel heeft ingesteld, is dat niet altijd fataal. [1] Het ligt evenwel anders indien een advocaat niet op de juiste wijze het rechtsmiddel heeft aangewend. [2] Van een advocaat mag worden verwacht dat hij bij het instellen van een rechtsmiddel de juiste weg bewandelt.
9. Het ligt naar het mij voorkomt niet in de rede wijziging in deze stand van zaken te brengen. Art. 6:15 Awb Pro formuleert een doorzendplicht. [3] Een dergelijke bepaling ontbreekt in de regeling van het instellen van rechtsmiddelen in het Wetboek van Strafvordering. [4] Met Uw Raad meen ik dat het geldend recht op dit punt aan de raadsman geen onredelijke eis stelt. Ik attendeer er in dat verband nog op dat bij de vaststelling van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in het derde lid van art. 6:15 Awb Pro wel betekenis wordt gehecht aan de omstandigheid dat het bezwaar- of beroepschrift door een professionele rechtshulpverlener is ingediend. [5]
10. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn beroep in cassatie heeft ingesteld, kan de verdachte in het beroep niet worden ontvangen. In dat licht zie ik van een bespreking van de middelen af. In het geval Uw Raad anders over de ontvankelijkheid oordeelt, ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
11. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie A.J.A. Van Dorst,
2.Vgl. in dit verband ook HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:137. In deze zaak was door de raadsman de schriftuur houdende middelen van cassatie naar het Paleis van Justitie te Den Haag verzonden waarna de schriftuur was doorgezonden naar de Hoge Raad. De schriftuur was pas na het verstrijken van de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad binnen gekomen. Uw Raad oordeelde dat de verdachte in het beroep niet kon worden ontvangen. Zie ook de conclusie van A-G Harteveld voorafgaand aan HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2204 (art. 81 RO Pro).
3.Genoemd artikel houdt onder meer in: 1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een (…) onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. 2. (…). 3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht
4.Zie HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:752,
5.Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1173, 1185, 1193.