Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [betrokkene 7] , [betrokkene 9] en [betrokkene 8] (verder ook: de vijf getuigen).
Onderzoekswensen:
Verzoek horen getuigen
NJ2014/441 m.nt. Borgers (rov. 2.47) inzake het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting op verzoek van de verdediging in gewone strafzaken. [4] In dit overzichtsarrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
Aan te leggen maatstaven
a good reason) berust en of de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate –
sole or decisive– is gebaseerd op de verklaring van een niet-ondervraagde getuige. Blijkens de uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland hoeft de volgorde van deze twee vragen niet altijd strikt te worden toegepast. [8] Is er geen
good reasonin voormelde zin en is het bewijsmateriaal dat zonder ondervragingsmogelijkheid voor de verdediging uit de verklaringen van de getuigen is verkregen
sole or decisive, dan zal – de derde stap – moeten worden bekeken of daartegenover voldoende compenserende factoren in acht zijn genomen. [9] Uit de hier relevante rechtspraak van het EHRM haal ik niet als absoluut geldend uitgangspunt dat een getuige à charge te allen tijde
moetworden opgeroepen teneinde de verdediging voldoende gelegenheid te geven hem of haar kritisch over de feiten te horen, zodat dientengevolge ter onderbouwing van een getuigenverzoek enkel erop hoeft te worden gewezen dat de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. En uit de Straatsburgse jurisprudentie volgt evenmin dat de enkele omstandigheid dat van de oproeping van de verzochte getuigen is afgezien al leidt tot schending van het recht op een eerlijk proces. Dit
kanevenwel anders zijn, wanneer de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op een verklaring van een getuige die door de verdachte niet op enig moment is kunnen worden ondervraagd. Daarover meer in mijn bespreking van het tweede middel.
tweede middelbouwt voort op het eerste middel en behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 6 EVRM Pro de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [betrokkene 9] (verder ook weer: de vijf getuigen) voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om hen als getuige te ondervragen. [10]
Zaak A (parketnummer 13-660451-12)
" Zaak A (parketnummer 13-660451-12)
Zaak B (parketnummer 13-741024-13)
communicationop 28 juni 2016 in een
Statement of Factsde Nederlandse regering om een reactie gevraagd. Die reactie volgde op 29 december 2016 in een
Unilateral declaration. De Nederlandse regering is van oordeel dat de
course of eventsniet in overeenstemming is met de vereisten van art. 6, eerste lid in verbinding met het derde lid onder d, EVRM en dat deswege sprake is van een schending van het EVRM.
derde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden aan de Hoge Raad.