ECLI:NL:HR:2016:2661

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2016
Publicatiedatum
23 november 2016
Zaaknummer
16/01409
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.13 Wet IB 2001
Verwijzingen
3 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aftrek levensonderhoud pleegkind in inkomstenbelasting

Belanghebbende had in haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 een persoonsgebonden aftrek opgevoerd voor uitgaven aan het levensonderhoud van D, de dochter van de ex-partner van haar echtgenoot. De Inspecteur weigerde deze aftrek. Het geschil spitste zich toe op de vraag of D als pleegkind van belanghebbende kon worden aangemerkt, waarbij met name de opvoedingseis centraal stond.

Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat aan de opvoedingseis was voldaan en kwalificeerde D als pleegkind, waardoor de aftrek gerechtvaardigd was. De Staatssecretaris stelde hiertegen beroep in cassatie in, maar de Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal en verklaarde het beroep ongegrond.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de feiten en omstandigheden juist had gewogen en dat het middel onvoldoende grond bood om het oordeel aan te tasten. Er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegekend. Het arrest bevestigt de rechtspraak omtrent de toepassing van artikel 6.13 Wet IB 2001 inzake de aftrek voor levensonderhoud van pleegkinderen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de aftrek voor levensonderhoud van het pleegkind blijft gehandhaafd.

Uitspraak

25 november 2016
nr. 16/01409
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 3 februari 2016, nr. BK‑15/00334, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 14/10666) betreffende de aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 5 juli 2016 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:755).

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2.
Belanghebbende heeft bij haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 persoonsgebonden aftrek opgevoerd ter zake van uitgaven voor het levensonderhoud van D. D is de dochter van de ex-partner van belanghebbendes echtgenoot. De Inspecteur heeft deze aftrek geweigerd.
2.3.
Voor het Hof was in geschil of D kan worden aangemerkt als pleegkind van belanghebbende. Het geschil spitste zich toe op de vraag was voldaan aan de zogenoemde opvoedingseis. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Hiertegen richt zich het middel.
2.4.
Het middel faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 7.7 tot en met 7.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 503.