Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Artikel 1. Hoedanigheid arbeidsrelatie
4.Beslissing
2 december 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of de tussen het Leerorkest en verzoeker gesloten overeenkomsten als arbeidsovereenkomsten moeten worden gekwalificeerd, dan wel als uitzendovereenkomst met Tentoo. De kantonrechter oordeelde dat vanaf 2011 sprake was van een arbeidsovereenkomst, maar het hof bestempelde de periode 2007-2011 als uitzendovereenkomst en wees de vorderingen af.
De Hoge Raad bevestigt dat de periode 2007-2011 kwalificeert als uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW Pro, waarbij Tentoo als uitlener fungeerde en het Leerorkest als inlener. De Hoge Raad verwierp het betoog dat Tentoo een payrollbedrijf was en dat een allocatiefunctie vereist is voor een uitzendovereenkomst.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van opvolgend werkgeverschap tussen Tentoo en het Leerorkest, waardoor de ketenregeling (art. 7:667 lid 5 en Pro 7:668a lid 2 BW) van toepassing kan zijn. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing over deze vraag.
De Hoge Raad veroordeelt het Leerorkest tot betaling van proceskosten en benadrukt dat bij de beoordeling van opvolgend werkgeverschap ook arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd moeten worden meegeteld. Dit arrest geeft belangrijke verduidelijking over de reikwijdte van uitzendovereenkomsten en opvolgend werkgeverschap in arbeidsrechtelijke ketenregeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Den Haag voor nader onderzoek naar opvolgend werkgeverschap.