Conclusie
(hierna: Deliveroo)
advocaat: F.M. Dekker
(hierna: FNV)
advocaten: S.F. Sagel & I.L.N. Timp
Participatieplaats-arrest
1.Inleiding en samenvatting
Participatieplaats-arrest [2] bepleit ik dat het bij het gezagscriterium niet zozeer gaat om de instructiebevoegdheid van de werkverschaffer ten opzichte van de werker. Veel belangrijker is of het werk organisatorisch is ingebed in de onderneming van de werkverschaffer. Als de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering, zal daar snel sprake van zijn. Deze benadering sluit aan bij het wettelijke criterium, of het werk wordt verricht ‘
in dienst van een ander’. [3]
het primaat van de feiten: er moet gekeken worden naar de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden.
2.Feiten
Regular-overeenkomst en de
Unlimited-overeenkomst. Op grond van de
Regular-overeenkomst kan per vier weken maximaal € 603,92 (niveau 2019; 40% van het reguliere minimumloon; in augustus 2020 € 620,32 per vier weken) worden verdiend en is, vanwege fiscale regelgeving, geen btw-afdracht verplicht. (NB: het gaat hier in feite om het niet verschuldigd zijn van
loonbelasting, zie subonderdeel 4.8). Bij gebruik van de
Unlimited-overeenkomst kan meer dan € 603,92 per vier weken worden verdiend, en dient de bezorger btw in rekening te brengen en af te dragen. Betaling vindt in beide gevallen plaats per afgeleverde bezorging en op basis van facturering, waarbij de normale gang van zaken is dat Deliveroo namens de bezorger de aan Deliveroo gerichte factuur opstelt. Deliveroo houdt ook bij dat bij gebruik van de
Regular-overeenkomst niet meer dan genoemd bedrag van € 603,92 per vier weken wordt verdiend: indien de bezorger 80% van dat bedrag heeft verdiend stuurt Deliveroo een bericht, en ook bij het bereiken van 90% van dat bedrag. Indien het volledige bedrag is verdiend kunnen die maand geen verdere opdrachten worden geaccepteerd. De opdrachtovereenkomst kan door de bezorger per direct worden opgezegd en voor Deliveroo geldt een opzegtermijn van een week. Normaliter zegt Deliveroo de opdrachtovereenkomst niet op, ook niet wanneer de bezorger geen werkzaamheden meer verricht. De hoogte van de betaling per afgeleverde bezorging is door Deliveroo in de loop der tijd gewijzigd.
self-service booking tool(hierna: het SSB-systeem). De bezorger kon met gebruikmaking daarvan kiezen of, wanneer, waar en voor hoe lang hij wilde werken. In het SSB-systeem kon de bezorger sessies reserveren of gereserveerde sessies annuleren, waarbij sommige bezorgers op een vroeger tijdstip in de gelegenheid werden gesteld die sessies te reserveren (
priority access) dan dat andere bezorgers daartoe in de gelegenheid werden gesteld. Ook kon de bezorger op elk gewenst moment inloggen zonder vooraf gereserveerd te hebben. Hij kon ook besluiten in het geheel niet in te loggen tijdens een gereserveerde sessie (een ‘
no-show’), later in te loggen (een ‘
late log in’) of tijdens een sessie vroegtijdig uit te loggen (een ‘
early log out’). Sinds maart 2020 hanteert Deliveroo in plaats van het SSB-systeem het zogenaamde
Free Login-systeem. Dat systeem houdt in dat geen sessies meer van tevoren kunnen worden gereserveerd. Iedere bezorger kan op het door hem gewenste moment inloggen, zij het dat dat alleen kan op een moment en plaats waar Deliveroo een behoefte aan bezorgers voorziet. Uitsluitend bezorgers die zijn ingelogd kunnen een bestelling krijgen aangeboden. Een aangeboden bestelling kan geweigerd worden, waarvoor in het systeem onder andere een van de volgende redenen kan worden opgegeven: restaurant te ver weg, restaurant wachttijd, wegen gesloten, autopech/fietspech, einde beschikbaarheid, ‘
dislike delivery area’ of overig.
Free Login-systeem kunnen bezorgers zich (alleen) direct beschikbaar melden. Verder kunnen de bezorgers via de app chatten met (een medewerker van) Deliveroo wanneer zij problemen hebben met het afleveren van bestellingen.
stacked order’, waarvoor € 3,75 werd betaald. Daarnaast kende Deliveroo bonussen toe. De criteria daartoe en hoogte daarvan zijn in de loop der tijd herhaaldelijk gewijzigd. Ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis was de hoogte van de bonus afhankelijk van het aantal bezorgingen in een periode van veertien dagen, waarbij de hoogte van de bonus verschilde per periode en per bezorggebied, maar steeds inhield dat hoe hoger het aantal bezorgingen in een bepaalde periode was, hoe hoger de bonus. De bonus kon ook per regio verschillen.
Free Login-systeem per maart 2020 is zowel de hoogte van het vaste per bezorging te betalen bedrag gewijzigd, als de wijze waarop bonussen worden vastgesteld. Voor korte ritten wordt sindsdien gemiddeld een vergoeding betaald van € 3,50 per bezorgde bestelling, voor lange ritten een vergoeding van gemiddeld € 4,80 per bezorgde bestelling. Daarnaast worden nog steeds bonussen toegekend. In een bericht van Deliveroo op 6 mei 2020 staat hierover vermeld:
De wekelijkse incentives worden een keer per week geüpload op maandag. (…) De incentives per bestelling zijn afhankelijk van de locatie waar het restaurant zich bevindt.”
3.Procesverloop
ter indiening aanvullende producties en correctie feitelijke onjuistheden’. Ook FNV heeft aanvullende producties in het geding gebracht.
Participatieplaats-arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020. [7]
4.Platformwerk
een technologische, economische en sociaal-culturele infrastructuur voor het faciliteren en organiseren van online sociaal en economisch verkeer tussen gebruikers en aanbieders, met (gebruikers)data als brandstof’. [9] Er valt een onderscheid te maken tussen sociale platforms (zoals Facebook, Twitter en LinkedIn) en transactieplatforms. [10] Op transactieplatforms kunnen aanbieders van zaken, diensten of digitale producten in contact komen met afnemers, om vervolgens via dat platform of daarbuiten met elkaar een overeenkomst te sluiten. [11] De meest klassieke vorm hiervan is de webwinkel, waarop een doorgaans professionele verkoper producten te koop aanbiedt. Verder zijn er intermediaire transactieplatforms, die zich in meer of mindere mate kunnen bemoeien met wat er op het platform gebeurt: [12] te denken valt aan ‘elektronische prikborden’, maar ook aan bemiddelaars zoals Airbnb en Booking.com. [13] Ook zijn er transactieplatforms waarbij het gaat om het leveren van diensten, dus waarop vraag en aanbod naar het uitvoeren van taken of klussen (‘
gigs’) bij elkaar worden gebracht. Dat wordt wel aangeduid als de ‘
gig economy’ (‘kluseconomie’). [14]
real timedata over onder andere zoekacties, transacties en reviews. [15] Dat ligt ook besloten in de onder 4.1 gegeven omschrijving: (gebruikers)data zijn
de brandstofvoor onlineplatforms. Deze data worden niet alleen gebruikt om de dienstverlening van het platform te verbeteren, maar worden ook gekoppeld aan adverteerders. [16] Platforms doen hiermee ook aan commodificatie: de verzamelde gegevens worden omgezet in een economisch goed en kunnen worden verkocht aan derden. [17] Het verhandelen van verzamelde data is daarmee een cruciaal aspect van het verdienmodel van veel platforms.
: ‘het gaat om waardecreatie versus monopolies, om privacy versus transparantie, waarheid versus frame, om efficiëntie versus de menselijke maat. Het gaat om kleine winkeliers die via Amazon wat verkopen, om taxichauffeurs die zich afhankelijk voelen van Uber, om hoteleigenaren die met Booking.com hebben te dealen en om communities die voor hun onderlinge interacties afhankelijk zijn van Facebook (Meta). Maar in Europa gaat het ook bijvoorbeeld om 500 platforms, 28 miljoen banen en 20 miljard aan omzet.’ [27]
crowdwork’). [29] Voorbeelden hiervan zijn softwareontwikkeling of vertaalwerk. [30] Als het werk daarentegen niet digitaal maar juist fysiek wordt verricht, wordt gesproken over ‘
work on demand’ of ‘
offline platformarbeid’. [31] Platforms zoals Uber (vervoer) en Deliveroo (maaltijdbezorging) kunnen onder ‘
work on demand’-platforms worden geschaard. [32]
work on demand, zoals maaltijdbezorging, zijn vaak weinig specifieke vaardigheden nodig. [34] De gemeenschappelijke deler van platformwerk is dat vraag en aanbod tot het verrichten van arbeid bij elkaar komen via een internetplatform (een app of een website).
uurloon, maar alleen een minimum
maandloon. De hoogte van het minimumloon per uur is afhankelijk van het normale aantal uren dat in een sector als voltijd geldt, de zogenoemde normale arbeidsduur (NAD). [54] Daarmee ligt het minimumuurloon voor mensen die in een sector werken waar de gebruikelijke werkweek 40 uren is,
lagerdan voor degenen die werken in een sector waar dat de gebruikelijke werkweek 36 of 38 uren is. Doordat er geen wettelijk minimumuurloon is, is handhaving door de inspectie SZW moeilijk en is bepaald niet gegarandeerd dat betaald wordt volgens de normen ontleend aan het wettelijk minimumloon. [55] In 2019 is een initiatiefvoorstel Wet invoering minimumuurloon ingediend, dat hieraan een einde moet maken. [56] Het wetsvoorstel moet er ook voor zorgen dat het minimumuurloon verhoogd wordt. Per 1 juli 2019 lag dat tussen de € 9,44 en € 10,44. [57] Voorgesteld wordt om het minimumuurloon te baseren op een 36-urige werkweek en het stapsgewijs te verhogen tot € 14,- per uur. Ook het huidige kabinet streeft naar de invoering van een minimumuurloon en naar verhoging van het minimumloon. [58]
Volgens één schatting zouden tot vijf en een half miljoen mensen die via een digitaal platform werken het risico lopen dat hun arbeidsstatus verkeerd wordt gekwalificeerd”). Overigens werken niet alle maaltijdbezorgplatforms met zelfstandigen. Zo werkt Thuisbezorgd.nl met werknemers. [65]
mogelijkopgeroepen te worden voor het verrichten van arbeid.
work on demand’-platforms, is het zo laag mogelijk houden van de transactiekosten van het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van arbeid. Bennaars noemt vijf manieren waarop platforms dit proberen te bereiken: [73] (i) taken worden opgeknipt en eenvoudig gemaakt, zodat weinig scholing of training nodig is; (ii) door
ratingsworden beoordelingen en toezicht door het platform in feite uitbesteed aan de uiteindelijke afnemer van de dienst; (iii) de werker wordt betaald via stukloon of per taak; (iv) de inzet van algoritmes voor de verdeling van het werk; en (v) gebruik maken van een grote arbeidspool die wacht op een klus, waarbij wachttijd niet wordt betaald.
verleggenvan deze kosten: niet alleen naar de consument maar ook naar de werkenden. [74] Platforms externaliseren het planningsrisico door de kosten van overbezetting naar de werkenden te verschuiven. [75]
gezag(‘in dienst van’)
. [76]
5.Europese richtlijnen
in loondienst of als zelfstandige, aldus de memorie van toelichting. [89] Hiermee gaat de voorgestelde implementatie verder dan noodzakelijk; de richtlijn regelt namelijk niets over werken als ‘echte zelfstandige’ naast een arbeidsovereenkomst. [90]
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
elke werknemer in de Unie met een arbeidsovereenkomst of arbeidsrelatie zoals omschreven in het recht, de praktijk of de collectieve overeenkomsten die van kracht zijn in elke lidstaat, met inachtneming van de rechtspraak van het Hof van Justitie.’ [95] In punt 8 van de considerans (zie hierna onder 5.14) wordt onder meer verwezen naar
Lawrie Blum,
FNV Kiemen
Ruhrlandklinik.
echte zelfstandigen’, [97] aangezien die niet voldoen aan de door het HvJ EU vastgestelde criteria om de rechtspositie van een werknemer te bepalen (mijn onderstreping): [98]
platformwerkers, stagiairs en jongeren met een leercontract binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn kunnen vallen.
Echte zelfstandigen mogen niet binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, aangezien zij niet aan deze criteria voldoen. Misbruik, op nationaal niveau of in grensoverschrijdende situaties, van de rechtspositie van zelfstandige als omschreven in het nationaal recht, is een vorm van valselijk gemeld werk die vaak verband houdt met zwartwerk. Er is sprake van schijnzelfstandigheid wanneer iemand die voldoet aan de voorwaarden die kenmerkend zijn voor een arbeidsrelatie wordt aangemeld als zelfstandige, met als doel te ontkomen aan bepaalde juridische of fiscale verplichtingen. Dergelijke personen moeten binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.
Of er sprake is van een arbeidsrelatie moet worden bepaald aan de hand van de feiten die verband houden met de daadwerkelijke uitvoering van het werk en niet aan de hand van de beschrijving van de arbeidsrelatie door de betrokken partijen.”
voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van echte zelfstandigen die platformwerk verrichten’. Die overweging vervolgt: ‘
Wanneer een digitaal arbeidsplatform – louter op vrijwillige basis of met instemming van de betrokkenen – besluit om sociale bescherming, ongevallenverzekering of andere vormen van verzekering, opleidingsmaatregelen of soortgelijke uitkeringen te betalen aan zelfstandigen die via dat platform werken, mogen die uitkeringen als zodanig niet worden beschouwd als bepalende elementen die wijzen op het bestaan van een arbeidsverhouding.’
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een commerciële dienst verleent die aan alle volgende vereisten voldoet:
a. het niveau van de vergoeding wordt daadwerkelijk bepaald of er worden bovengrenzen vastgesteld;
6.Nederlandse ontwikkelingen
Participatieplaats-arrest is uitgebreid besproken dat het kabinet, in het kader van de afbakening tussen werknemers en zelfstandigen, een webmodule wilde ontwikkelen zodat vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid kan worden verkregen over het zijn van ondernemer. [116] Na diverse testfases [117] is op 11 januari 2021 een pilot van zes maanden gestart, met als doel om zicht te krijgen op de werking van deze Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie en wat deze voor opdrachtgevers in de dagelijkse praktijk kan betekenen. [118] De webmodule fungeerde tijdens de pilotfase – en nog steeds – als voorlichtingsinstrument, waarbij de uitkomsten geen juridische status hebben.
informatie meer zicht verschaft op de beoordeling van arbeidsrelaties in de praktijk ten opzichte van het huidig wettelijk kader. Deze informatie helpt ook om meer zicht te krijgen op de wijze waarop de huidige kwalificatiecriteria uitwerken in en voor de praktijk.’ [119] Het kabinet zet in op de verdere ontwikkeling van de webmodule; ‘
dat kan bijdragen aan het vooraf verkrijgen van zekerheid voor zzp-ers over de aard van de arbeidsrelatie’. [120]
Focus op Handhaving’ zeer kritisch uitgelaten over het handhavingsmoratorium. [129] Te lezen is onder meer dat de tot nu gehanteerde strategie, dat burgers en bedrijven zoveel mogelijk uit zichzelf regels naleven, met ondersteunende voorlichting door de Belastingdienst, niet werkt. De korte samenvatting is dan ook:
eerstde financiële (fiscale) prikkels om met zelfstandigen te werken (en: als zelfstandige te werken) worden weggenomen. In feite staat dat ook in het rapport van de Rekenkamer: [133]
Hoe werkt de platformeconomie?’. [134] Daarin is de aard en positie van platformbedrijven, de positie van platformwerkers en de handhaving van schijnzelfstandigheid onderzocht. Uit de verkenning blijkt dat de meeste werkplatforms in Nederland hun bedrijfsmodel hebben ingericht op het werken met zzp’ers. De SER constateert dat de rol die een platform vervolgens in de praktijk vervult bij de toedeling en uitvoering van de werkzaamheden, regelmatig de vraag oproept of materieel niet eerder sprake is van een arbeidsovereenkomst. [135] De SER concludeert in deze platformwerkverkenning dat zolang er geen duidelijkheid is over de kwalificatie van de arbeidsrelatie van platformwerkers, de handhaving tekortschiet en consequenties van die kwalificaties zo groot blijven, er een oneigenlijke prikkel is om platformwerkers als zzp’er in zetten. Volgens de SER is er op korte termijn behoefte aan een politiek en beleidsmatig antwoord op deze discussie. [136]
rechtsvermoedenkan worden gewerkt. Als het platform of de werkende kan aantonen dat er daadwerkelijk sprake is van werken buiten dienstverband, kan het rechtsvermoeden worden weerlegd.
allezelfstandigen die werken met een uurtarief tot € 30,- á 35,- per uur. Dit moet de werkers aan de onderkant van de arbeidsmarkt beschermen.
Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ is het rapport van de Commissie-Borstlap en het MLT-advies van de SER als leidraad beschouwd voor de inrichting van de arbeidsmarkt van de toekomst. In het regeerakkoord valt verder te lezen: [149]
een eerste hoofdlijnenbrief of eventueel verschillende brieven op deelclusters te sturen’ over de aanpak arbeidsmarkt van de toekomst. [150]
7.De kwalificatievraag na het Participatieplaats-arrest
Participatieplaats-arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over de kwalificatie als arbeidsovereenkomst: [156]
Participatieplaats-arrest zet, in de woorden van Verburg, ‘
de schijnwerpers op de economische (materiële) werkelijkheid van hetgeen is afgesproken. Deze werkelijkheid beslist de kwalificatievraag.’ [157]
Participatieplaats-arrest gaat uit van een toetsing in twee fasen. In de eerste fase (de uitlegfase) stelt de rechter aan de hand van het
Haviltex-criterium vast welke rechten en verplichtingen partijen overeengekomen zijn. Volgens de
Haviltex-maatstaf kan de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. [158]
Groen/Schoevers, de Hoge Raad een gezagsverhouding niet als element benoemt. In plaats daarvan wordt de wettelijke omschrijving, ‘in dienst van de andere partij’, gebruikt.
Participatieplaats-arrest de gewenste duidelijkheid heeft gebracht. Op basis van een onderzoek van een aantal uitspraken van feitenrechters van na het arrest, concludeert Said dat deze uitspraken een zeer wisselend beeld laten zien. [159] Rechters worstelen volgens haar met de toepassing van de tweefasentoets. Het onderscheid tussen de uitleg- en kwalificatiefase is in de meeste uitspraken niet zichtbaar en een uitdrukkelijke toepassing van de
Haviltex-maatstaf blijft, op een enkele uitspraak na, veelal uit.
Participatieplaats-arrest, dat niet van belang is of partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten, is in de literatuur positief ontvangen. Maar het arrest heeft ook kritiek en vragen opgeroepen. De kritiek richt zich op de volgende punten.
anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid’, niet goed te plaatsen. Ook de Hoge Raad zélf heeft in latere uitspraken namelijk de indruk heeft gewekt dat de op kwalificatie gerichte bedoeling van partijen wel degelijk een rol speelt bij de bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. [160] In de woorden van Houweling & Loonstra: of de rechtspraktijk
Groen/Schoeversniet juist heeft geïnterpreteerd – door geen scherp onderscheid te maken tussen uitlegfase en kwalificatiefase – ‘
komt wellicht mede door wat ‘ruis’ op de lijn van de (af)zender’. [161]
Haviltex-maatstaf in de eerste fase moet worden toegepast. Met name is er discussie over de vraag hoe de aard van de overeenkomst [165] en de ratio van art. 7:610 BW Pro [166] meeweegt bij de toepassing van de tweefasentoets. De
Haviltex-maatstaf is ook veel meer toegesneden op een ‘statische uitleg’, dan op een ‘dynamische uitleg’, zoals aan de orde is bij een duurovereenkomst als de arbeidsovereenkomst. [167]
Haviltex-maatstaf de partijbedoeling waarschijnlijk toch nog een rol kan spelen. [168] Als het gaat om ‘de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan contractsbepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’, kan daarbij immers ook meespelen wat partijen voor ogen stond, de partijbedoeling dus. In dat geval zou met het
Participatieplaats-arrest niet wezenlijk een nieuwe richting zijn ingeslagen. [169]
Participatieplaats-arrest niet verhelderd bij welke inhoud van de overeenkomst sprake is van een kwalificatie als arbeidsovereenkomst. In de woorden van Boot: [170]
Duck-test’. [172]
Participatieplaats-arrest geen handvatten geeft om te beoordelen of sprake is van een ‘echte’ arbeidsovereenkomst, of dat het gaat om een schijnconstructie om de kwalificatie als arbeidsovereenkomst te ontlopen. Als het schriftelijke contract zo is vormgegeven dat de ‘rechten en verplichtingen die partijen die partijen overeengekomen zijn’ bij elkaar opgeteld níet alle kenmerken van een arbeidsovereenkomst hebben (eerste fase), is het niet zo eenvoudig om te zien hoe dan kan worden ontkomen aan de conclusie dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst (tweede fase). In wezen is dit hetzelfde probleem dat kleeft aan de
Yodel-uitspraak van het HvJ EU (zie onder 9.5 en 9.6): [173] er wordt een lijstje met criteria gegeven om te bepalen of sprake is van een gezagsverhouding, maar daaraan wordt pas toegekomen als eerst is vastgesteld ‘dat geen sprake is van schijnzelfstandigheid’. Dat lijkt op een cirkelredenering.
Participatieplaats-arrest, zullen we de
Haviltex-maatstaf moeten gebruiken om zo nodig door ‘schijnconstructies’ heen te prikken. Hierbij zijn de volgende aandachtspunten van belang.
partijen hun verhouding hebben geregeld’, zoals de
Haviltex-formule luidt. Het gaat immers vaak om standaardcontracten die eenzijdig door de werkverschaffer zijn opgesteld en waarin van de zijde van de werker geen enkele inbreng is geweest. Dat geldt zowel voor de voorwaarden waaronder het werk moet worden verricht als voor de hoogte van de beloning. Met deze wijze van totstandkoming zal rekening moeten worden gehouden bij de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst. Dat kan via ‘de maatschappelijke positie van contractspartijen’, zoals die is verdisconteerd in het
Haviltex-criterium. [174] Dat rekening kan worden gehouden bij de maatschappelijke positie van de contractspartijen, betekent echter niet dat bij de
kwalificatievraaggewicht in de schaal zou moeten worden gelegd door de omstandigheid dat de werker zich in een zwakke sociaaleconomische positie bevindt (vgl. hierna onder 8.20 en 8.21). Op dit punt gaat het er slechts om dat bij het vaststellen van de rechten en verplichtingen die partijen overeengekomen zijn, in aanmerking moet worden genomen of deze eenzijdig zijn opgelegd door de werkverschaffer, of in een onderhandelingsproces tussen gelijkwaardige partijen tot stand zijn gekomen.
uitvoeringis gegeven aan het contract. Ook in dit opzicht zou
Haviltexons op het verkeerde been kunnen zetten; de
Haviltex-maatstaf is immers oorspronkelijk ontwikkeld voor de uitleg van een
schriftelijk contract(niet zijnde een duurovereenkomst). Het kijken naar de feitelijke uitvoering van de overeenkomst, sluit wel aan bij rechtspraak van de Hoge Raad, namelijk bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden
nadateen rechtshandeling is verricht, medebepalend zijn bij de uitleg van die rechtshandeling. [175] Ook in het
Groen/Schoevers-arrest is overwogen dat bij de vaststelling van ‘
wat tussen partijen te gelden heeft’, mede in aanmerking moet worden genomen ‘
de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven’. [176] Het gaat dus niet alleen om de initiële partijbedoeling, maar ook om de manier waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. [177] Overigens heeft er in de rechtspraak van de fiscale kamer van de Hoge Raad bij de kwalificatievraag altijd al meer nadruk gelegen op de feitelijke uitvoering van de overeenkomst. [178]
het is enkel de wijze van uitvoering. De onder 5.14 geciteerde considerans van de Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden is glashelder: ‘
Of er sprake is van een arbeidsrelatie moet worden bepaald aan de hand van de feiten die verband houden met de daadwerkelijke uitvoering van het werk en niet aan de hand van de beschrijving van de arbeidsrelatie door de betrokken partijen.’ [179]
in verband met de daadwerkelijke uitvoering van het werk.In de toelichting op de bepaling is in de Ontwerprichtlijn te lezen dat de bepaling verduidelijkt dat moet worden uitgegaan van
het beginsel van het primaat van de feiten. [181]
gevolgenvan de kwalificatie, maar geen element zijn in de wettelijke omschrijving. Zo is bijvoorbeeld de bepaling dat geen loon wordt doorbetaald bij ziekte, niet relevant voor de kwalificatie. [186] Als
eerstaan de hand van de wettelijke omschrijving is bepaald of sprake is van een arbeidsovereenkomst, blijkt
daarnaof zo’n bepaling rechtsgeldig is. [187]
8.Gezag/werken in dienst van een ander
Participatieplaats-arrest ben ik uitvoerig ingegaan op het gezagscriterium. De hoofdpunten vat ik kort samen, aangevuld met enkele nadere beschouwingen.
PostNL-zaken geoordeeld dat geen sprake was van gezagsuitoefening over de pakketbezorgers, terwijl in andere zaken werd geoordeeld dat dat wél het geval was. [189] Ook de uitspraken in de recente
Volksbank-procedure waarin het draait om de vraag of haar voormalig CFO een arbeidsovereenkomst heeft, geven bepaald geen eenduidig beeld. [190] Ook over platformwerk zijn uiteenlopende beslissingen genomen. [191]
bottleneck.
werker. [195] Mijns inziens ligt het zwaartepunt echter bij de inbedding van het
werkin de organisatie van de werkverschaffer; als daarvan sprake is, zal de inbedding van de werker volgen. Dus áls het werk is ingebed in de organisatie, zullen
daardoorde door de werkverschaffer uitgevaardigde regels, gebruiken en gewoonten op de werker van toepassing zijn. [196]
werkzaamheden: [197]
SIS-arrest (2021) juist heeft benadrukt dat het bij gezagsuitoefening gaat om het moeten naleven van instructies en interne voorschriften van de werkverschaffer. [199]
ongoing shift toward a new gateway to labour law protection, moving into territory beyond that of traditional subordination’. Hij schrijft verder: [201]
Uber-uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin werd geoordeeld de vervoersdiensten de kernactiviteit van Uber vormen. [203] Het standpunt dat Uber slechts een technologiebedrijf is, werd verworpen. [204]
nietingebed in de organisatie van degene voor wie hij werkt?
dusals uitgangspunt [206] sprake van inbedding in de organisatie van de werkverschaffer en wordt
dusgewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst. [207]
Lawrie Blum-arrest [208] tot het startpunt voor de ontwikkeling van een Europees werknemersbegrip in de rechtspraak van het Europese HvJ. [209] Ook uit het
FNV Kiem-arrest (waarnaar verwezen wordt in de Richtlijn Transparante arbeidsvoorwaarden, zie onder 5.3-5.15 ) volgt dat werknemerschap en ondernemerschap juridisch moeten worden onderscheiden. [210] Dit volgt ook uit de
Yodel-uitspraak (zie onder 9.5 en 9.6).
FNV Kiem.Daarin oordeelde het HvJ dat iemand geen zelfstandige is als hij (i) onder leiding van zijn werkgever handelt voor wat betreft de vrijheid om zijn tijdschema van de plaats en de inhoud van zijn werk te kiezen, (ii) hij niet deelt in de commerciële risico’s van de werkgever en (iii) hij tijdens de duur van de arbeidsverhouding is opgenomen in de onderneming waarmee hij een economische eenheid vormt. [212]
feitelijkbehoefte heeft aan bescherming van het arbeidsrecht (mede om daarmee toegang te krijgen tot sociale verzekeringen). Op zichzelf staat het buiten twijfel dat er vele werkers aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn die zich in een precaire positie bevinden, door een gebrek aan arbeidsrechtelijke bescherming én een te lage beloning van het werk, met vele negatieve gevolgen. [218] Maar er zijn ook publieke belangen betrokken bij de kwalificatievraag. [219] Zoals de ongewenste kloof tussen werkers mét en zónder een arbeidsovereenkomst, een gebrek aan solidariteit tussen deze groepen, afwenteling van kosten op het collectief, een te smal draagvlak voor de sociale zekerheid, en een uitholling van de maatschappelijke instituties die gebouwd zijn rond de arbeidsovereenkomst. Als we ook deze publieke belangen laten meespelen, is niet zo duidelijk dat en waarom een IT’er of communicatieadviseur die jarenlang voor dezelfde opdrachtgever werkt terwijl haar of zijn werk is ingebed in de organisatie van de werkverschaffer, wél zou kunnen werken als zelfstandige (met alle fiscale voordelen, zonder afdracht aan de collectieve kas), en een chauffeur niet. [220] Helemaal lastig wordt het als we kijken naar bijvoorbeeld zelfstandige verplegers of leraren, die ‘zij aan zij’ werken met collega’s in loondienst, maar dan zonder de (als loodzware last ervaren) verplichtingen die het werken in loondienst met zich kan meebrengen.
bijna iedere arbeider, van welken maatschappelijken stand ook, die niet louter voor tijdverdrijf een dienstcontract sluit’, in zekere zin economisch afhankelijk van zijn werkgever is. [221] Om die reden is in 1909 gekozen voor een uniforme regeling van het arbeidsrecht, en is geen onderscheid gemaakt naar maatschappelijke positie. Daarbij past niet dat er gedifferentieerd wordt naar gelang een behoefte aan arbeidsrechtelijke bescherming. Anders gezegd: de kwalificatievraag vraagt om een objectieve toetsing.
Participatieplaats-arrest omschrijft de Hoge Raad de arbeidsovereenkomst
als de overeenkomstwaarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt
in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Bij de invulling van de vraag of arbeid ‘in dienst van de andere partij’ wordt verricht, is het bepaald geen grote stap om te kijken of het werk is ingebed in de organisatie van de werkverschaffer en wie het economisch risico van de werkzaamheden draagt.
(…) van meer praktische betekenis voor het ontwerp, is de vraagof de karakterisering van de arbeidsovereenkomst door het element van het “in dienst” van een ander arbeiden, met de gebruikelijke verduidelijking door de polaire begrippen “ondergeschiktheid” van de arbeider en “gezagsbevoegdheid” van de werkgever,niet beter vervangen zou kunnen worden door een karakterisering als contractueel “arbeid verrichten in een bedrijf of huishouding van een ander”.
Het hiermee beoogde doel is dan vooral om aan degeen die arbeid verricht voor een ander en wiens juridische ondergeschiktheid onzeker is of moeilijk te bewijzen valt, doch die kennelijk maatschappelijk afhankelijk is van die ander, de bescherming van de wettelijke regeling van het arbeidscontract deelachtig te doen worden.
9.De vrije vervangingsclausule
persoonlijkverrichten van arbeid deel uitmaakt van de wettelijke omschrijving uit art. 7:610 lid 1 BW Pro en daarmee
een voorwaardeis voor kwalificatie als arbeidsovereenkomst. De eis van persoonlijke arbeidsverrichting heeft de afgelopen tijd steeds meer aandacht gekregen, doordat in werkcontracten wordt opgenomen dat de werker zich te allen tijde mag laten vervangen (een ‘vrije vervangings-clausule’). [226]
Zwarthoofd/Parool) [228] en 1969 (
Heger/De Geïllustreerde Pers). [229] In deze arresten overwoog de Hoge Raad dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat een overeenkomst waarin de werker zich kan laten vervangen niet als arbeidsovereenkomst kwalificeert, ‘
daar het blijkens art. 1637a een van de kenmerken van de arbeidsovereenkomst is, dat een contractspartij zich verbindt arbeid te verrichten’.Hieruit is af te leiden dat de Hoge Raad de verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten beschouwt als een aspect van het element 'arbeid' (en niet van het element ‘gezag’). Hierbij past de kanttekening dat in beide arresten tevens het BBA van toepassing was; daarin was in elk geval vereist dat de arbeid persoonlijk werd verricht. [230]
Gouden Kooi-arrest in 2011: [231]
Yodel Delivery-uitspraak [234] overwoog het HvJ dat onder bepaalde omstandigheden geen sprake is van een werknemer in EU-rechtelijke context (hier ging het om de Arbeidstijdenrichtlijn) indien het de werkende, zoals in de voorgelegde casus, vrij staat (mijn onderstreping): [235]
to use subcontractors or substitutes to perform the service which he has undertaken to provide;
Yodel Delivery-uitspraak kunnen worden afgeleid dat de mogelijkheid voor de werker om anderen in te schakelen of het werk te verrichten, een aanwijzing is dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Echter, niet onbelangrijk, uit de geciteerde overweging blijkt ook dat éérst moet worden nagegaan of (i) geen sprake is van schijnzelfstandigheid (‘
provided that, first, the independence of that person does not appear to be fictitious’), en (ii) of sprake is van ondergeschiktheid (
provided that, second, it is not possible to establish the existence of a relationship of subordination between that person and his putative employer’).Met andere woorden, de mogelijkheid van een werker om zich te laten vervangen, zegt op zichzelf nog niets over de vraag of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarvoor moeten we eerst vaststellen of sprake is van schijnzelfstandigheid, en (dus, zou ik denken) of de werker in feite ondergeschikt is aan de werkverschaffer.
PostNL-zaken geoordeeld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst met een pakketbezorger die zich structureel door meerdere andere vervoerders had laten bijstaan, die meer routes had dan hij zelfstandig ooit zou kunnen rijden en die aldus een onderneming dreef. [236] En in een uitspraak uit 2016 oordeelde het hof Amsterdam dat, gelet op de contractuele bepaling dat er geen verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting bestaat, [237] niet kan worden gesproken van een verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten. [238] Ook hier ging het om een pakketbezorger die de inzet van anderen als ondernemingsmodel gebruikte. In de uitspraak
Persgroepoordeelde het Amsterdamse hof in 2018 dat krantenbezorgers geen arbeidsovereenkomst hadden. [239] Aan dat oordeel was onder meer ten grondslag gelegd dat de bezorgers zich altijd konden laten vervangen (en dat dit in de praktijk ook gebeurde), zonder dat zij daarvoor toestemming van de Persgroep hoefden te vragen.
Deliveroo I-zaak uit 2018 werd geen arbeidsovereenkomst aangenomen. [242] De overeenkomst kende de bezorger de mogelijkheid toe om zich te laten vervangen. De bezorger, die stelde dat hij zich nooit heeft laten vervangen, betoogde dat het vervangingsrecht een dode letter is, (onder meer) omdat Deliveroo eisen kon stellen aan de vervanger. De kantonrechter ging daar niet in mee en overwoog dat de omstandigheid dat Deliveroo van een vervanger vereist dat hij over de vereiste vaardigheden en training beschikt, nog niet betekent dat de vervangingsclausule een loze bepaling is.
Uber-uitspraak van de rechtbank Amsterdam is in het midden gelaten of de vervangingsmogelijkheid in de weg staat aan de kwalificatie als arbeidsovereenkomst, omdat vaststond dat de chauffeur een selfie moest maken zodat Uber kon controleren of hij of zij de arbeid persoonlijk verrichte. [243]
dangeldt dat de werknemer verplicht is om de arbeid persoonlijk te verrichten.
het in sommige streken des lands bestaande gebruik, dat maaiers, die arbeidsovereenkomsten aangaan, zelf slechts een deel van den bedongen arbeid verrichten en zich in dien arbeid door derden doen bijstaan, zonder daarvoor ’s werkgevers toestemming te vragen’. [246] En in de memorie van antwoord is vermeld dat ‘
de werkgever, die een arbeider in dienst neemt om zekeren arbeid voor hem te verrichten, […] recht [heeft] op de algeheele vervulling door dien arbeider van den bedongen arbeid’en dat
‘(s)lechts wanneer de werkgever zijne toestemming verleent, het den arbeider vrij [moet] staan zich bij het verrichten van den arbeid de hulp van een derde te verzekeren’. [247] Ook hier wordt dus het bestaan van een arbeidsovereenkomst verondersteld, en,
daarvan uitgaande, de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting gestipuleerd.
De arbeidsovereenkomst is van oudsher een overeenkomst van in hoge mate persoonlijke aard; de werkgever kiest de werknemer niet alleen om wat hij kan en doet, maar ook om wie hij is.’ Dat moge zo zijn, maar de wens van de werkgever om juist déze werknemer voor zich te laten werken, wordt ook vervuld wordt als de wettelijke verplichting wordt nageleefd dat de werknemer zich niet kan laten vervangen zonder toestemming van de werkgever.
‘(aan de onderkant van de arbeidsmarkt) relatief gemakkelijk buiten dienstbetrekking kan worden gewerkt als maar voldaan wordt aan het criterium ‘vrije vervanging’ terwijl (veelal aan de bovenkant van de arbeidsmarkt) men geacht wordt in dienstverband te werken zodra er sprake is van een ‘gezagsverhouding’.’ [251] Deze criteria zijn toe aan herijking, schreef de staatssecretaris.
kanleggen bij de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding. [256] Tot slot noemt ook de ILO-aanbeveling 198 het feit dat de arbeid persoonlijk moet worden verricht, als
indicatorvoor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. [257]
daadwerkelijkebeperking om vervangers in te schakelen, beschouwd als indicatie voor ‘zeggenschap over de uitvoering van werk’ (art. 4 lid 2 onder Pro d, zie onder 5.22-5.24). In dat geval geldt het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst (art. 4 lid Pro 1). Het al of niet bestaan van contractuele vrijheid voor de werker om zich te laten vervangen, is dus niet de kern; het gaat erom of ook
daadwerkelijksprake is van vervangingsvrijheid. Dit voorop stellen van de daadwerkelijk gang van zaken – en niet de contractuele bepalingen – strookt met
het primaat van de feiten, zoals dat in het Richtlijnvoorstel wordt voorgestaan (zie onder 7.19).
daadwerkelijkebeperking om vervangers in te schakelen, is het maar de vraag of zich dat in de praktijk van een platformwerker zal voordoen. In de eerste plaats is vervanging niet snel aan de orde, omdat de werker sowieso vrij is om te bepalen wanneer hij werkt. In de tweede plaats is het niet goed voor te stellen hoe bijvoorbeeld een maaltijdbezorger zich kan laten vervangen, als de klus eenmaal aan hem of haar is toebedeeld (omdat hij of zij het dichtst in de buurt is), gegeven het feit dat de klus zo snel mogelijk zal moeten worden uitgevoerd. [258]
10.De vrijheid om te komen en te gaan
Vakantiewerker bollenkweker-arrest uit 1994 volgt dat het feit dat een werkende de vrijheid heeft om al dan niet te gaan werken, op zichzelf niet in de weg staat aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst. [259]
Appelplukkers(1996) werd door de fiscale kamer overwogen dat de opvatting dat vrijheid van komen en gaan bij werknemers altijd van belang is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, niet juist is, met name niet indien het niet gaat om slechts incidenteel en gedurende zeer korte tijd te verrichten arbeid. [260]
Allonby-arrest geoordeeld dat, in het kader van het werknemersbegrip bij gelijke beloning tussen mannen en vrouw, het ‘
irrelevant’ is dat de docenten die in opdracht van een als tussenpersoon handelende onderneming een leeropdracht bij een hogeschool dienen te vervullen ‘
niet verplicht zijn om een leeropdracht te aanvaarden’. [261]
Yodel-uitspraak (zie onder 9.5 en 9.6) volgt weliswaar dat de vrijheid van een werkende ‘
to accept or not accept the various tasks offered by his putative employer, or unilaterally set the maximum number of those tasks’als één van de contra-indicaties voor werknemerschap. [262] Echter, als gezegd geldt die contra-indicatie pas als
eerstis vastgesteld dat geen sprake is van schijnzelfstandigheid (‘
provided that, first, the independence of that person does not appear to be fictitious’). Aan een contractuele bepaling die bedoeld is als ‘strategische contractsbepaling’ om werknemerschap te ontlopen, komt dus geen betekenis toe.
daadwerkelijkebeperking – onder meer door sancties – van de vrijheid om zelf de arbeidstijd of perioden van afwezigheid te kiezen, om taken te aanvaarden of te weigeren (art. 4 lid 2 onder Pro d, zie onder 5.22-5.24), gezien als een indicatie dat sprake is van ‘zeggenschap over de uitvoering van werk’. In dat geval geldt het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst (art. 4 lid Pro 1). Ook hier geldt dus weer
het primaat van de feiten,zo blijkt uit het woord ‘daadwerkelijk’. Contractuele vrijheid of juist inperking van de vrijheid om zelf de arbeidstijd te bepalen is niet waar het om draait; het gaat erom of de werker feitelijk beperkt is in de vrijheid om zelf de arbeidstijd te bepalen.
Deliveroo I-zaak uit 2018, waarin geen arbeidsovereenkomst werd aangenomen, lijkt het erop dat dat oordeel mede erop is gebaseerd dat sprake is van een vrijheid om wel of niet te werken. [264]
Uber-uitspraak van rechtbank Amsterdam. Daarin werd wél een arbeidsovereenkomst aangenomen: aan de gezagsverhouding deed volgens de rechtbank niet af dat de chauffeurs zelf hun uren mogen bepalen en tot op zekere hoogte vrij zijn om een rit te weigeren. [268]
11.Bespreking onderdeel 1 – Ontvankelijkheid FNV en art. 3:305a BW (oud)
parallellen in rechtsposities’ die een collectief optreden rechtvaardigen kan niet alleen sprake zijn op het gebied van de onrechtmatige daad, maar ook op het terrein van het contractenrecht en daarbuiten, zo vermeldt de memorie van toelichting. Er werd dan ook geen grond gezien om de in het voorontwerp opgenomen beperking te handhaven. [277]
zeer goed’ lenen voor bundeling en een collectieve actie rechtvaardigen. [281] Benadrukt wordt echter dat ook voor collectieve acties waarbij een vordering uit overeenkomst wordt ingesteld het gelijksoortigheidsvereiste geldt: [282]
profiteren van de naleving door de gedaagde partij van de op vordering van de belangenorganisatie uitgesproken veroordeling om iets te doen of na te laten’. [295]
opt out-mogelijkheid van art. 1018f Rv. [300]
mede afhankelijk van de werking van de gevraagde vordering’. Hij noemt in dit verband de in een collectieve actie verkregen verklaring voor recht, ten aanzien waarvan – onder de voorlopers van het huidige art. 3:305a BW – geldt dat deze niet bindend is voor de belanghebbenden, maar alleen precedentwerking kan hebben in individuele vervolgprocedures (vgl. onder 11.14-11.15). Frenk wijst erop dat dit voldoende ruimte laat om in zo’n vervolgprocedure mogelijke specifieke individuele omstandigheden aan de orde te stellen. In een collectieve actie waarin alleen een verklaring voor recht wordt gevorderd, kan de rechter dan ook een verdergaande abstracte toets aanleggen (dan bij andere vorderingen), [317] zonder daarmee de wederpartij van de belangenorganisatie te schaden, zo stelt Frenk. [318]
desnoods’tot een ander oordeel te komen dan in de collectieve actie, zo merken beide auteurs op. [321]
Haviltex-criterium. Dat criterium vergt naar haar aard een individuele beoordeling (in dit geval: van iedere arbeidsrelatie op zich), zodat de strekking van art. 3:305a BW (oud) zich tegen behandeling van de vordering van FNV verzet, aldus het subonderdeel.
Haviltex-criterium, staat volgens Deliveroo in de onderhavige zaak in de weg aan de ontvankelijkheid van FNV in de door haar ingestelde collectieve actie. Omdat dit criterium een individuele toets vergt, kan bij de beoordeling van de vordering van FNV niet worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele bezorgers. Het hof had derhalve niet tot het oordeel kunnen komen dat is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste, zo is de strekking van subonderdeel 1.1.
Haviltex-criterium). [322] Het is zeker niet ondenkbaar dat in een concreet geval de feiten c.q. omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden – de mogelijkheid van een collectieve actie is steeds afhankelijk van de feiten en de ingeroepen norm [323] – waaraan moet worden getoetst in zodanige mate overeenkomen, dat een collectieve actie toch mogelijk moet worden geacht. [324]
thans slechts twee soorten contracten hanteert (‘Regular’ en ‘Unlimited’), en dat de wijze waarop aan die contracten uitvoering wordt gegeven, op zich niet per bezorger verschilt’. In deze overweging – die tevergeefs door de subonderdelen 1.2-1.4 wordt bestreden (zie hierna, onder 11.39 e.v.) – ligt besloten dat de omstandigheden aan de zijde van de individuele bezorgers naar het oordeel van het hof niet verschillen als het gaat om de uitvoering van de contractuele werkzaamheden. Dat het bij de kwalificatievraag vooral om de
uitvoeringvan de overeenkomst gaat, sluit aan bij de Europese rechtspraak (vgl. onder 7.16-7.19).
Beurspromovendi [326] en
Prostituees [327] waarnaar het hof in rov. 3.2 verwijst, niets beslist is over de onderhavige vraag. In de eerste zaak stond in cassatie het gelijksoortigheidsvereiste niet ter discussie; de tweede (fiscale) zaak was geen collectieve actie.
subonderdelen 1.2, 1.3 en 1.4richten zich tegen het oordeel in rov. 3.2 dat ‘
Deliveroo thans slechts twee soorten contracten hanteert (‘Regular’ en ‘Unlimited’), en dat de wijze waarop aan die contracten uitvoering wordt gegeven, op zich niet per bezorger verschilt’.
onder (i)genoemde stelling is door het hof betrokken bij zijn in rov. 3.2 vervatte oordeel dat aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan, namelijk waar het hof overweegt dat de omstandigheid ‘
dat de motieven op grond waarvan bezorgers hun werkzaamheden verrichten (sterk) kunnen verschillen, (…) dat niet anders [maakt]’.
onder (ii) en (iv)genoemde stellingen hebben betrekking op het gebruikmaken van vervangers respectievelijk het weigeren van opdrachten. Bij de vaststelling van de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen gaat het hof op deze beide punten in. Ten aanzien van het gebruikmaken van vervangers (stelling (ii)) overweegt het hof in rov. 3.7.5 onder meer dat het ervan uitgaat dat een ‘
vervangingsmogelijkheid aanwezig is, in die zin dat dit contractueel is toegestaan, als ook dat hier in de praktijk gebruik van wordt gemaakt’ (maar dat permanente vervanging niet mogelijk is; zie de bespreking van onderdeel 3). Het weigeren van opdrachten (stelling (iv)) komt aan de orde in rov. 3.7.4, waarin het hof onder meer het volgende overweegt:
96,4%van de bezorgers de laatste zes maanden ten minste één opdracht heeft geweigerd niet zodanig is dat het oordeel van het hof dat de wijze waarop aan de twee door Deliveroo gehanteerde contracten uitvoering wordt gegeven
op zichniet per bezorger verschilt, in cassatie niet in stand kan blijven.
onder (iii) en (v)genoemde stellingen zijn door het hof besproken. Stelling (iii) komt aan de orde in rov. 3.7.7, waar het hof overweegt dat dit (‘
Deliveroo heeft erop gewezen dat het bezorgers vrij staat voor een concurrerende onderneming te werken’) geen omstandigheid is die voor de aan- of afwezigheid van een arbeidsovereenkomst van groot belang is. Met betrekking tot stelling (v) overweegt het hof in rov. 3.10.3 dat ‘
indien dat juist is, (…) dat [dan] niet zo veel [zegt], omdat ook een werknemer per jaar minimaal vier weken vakantie heeft: de onderbreking van werkzaamheden gedurende een maand per jaar kan dus ook passen bij het werken op grond van een arbeidsovereenkomst’.
onder (vi)genoemde stelling is als zodanig niet terug te lezen op de door het subonderdeel genoemde vindplaatsen. Par. 3.17 van de pleitaantekeningen in hoger beroep van Deliveroo bevat wel de stelling dat uit een tweetal door Deliveroo overgelegde foto’s ‘blijkt dat bezorgers geheel vrij zijn om zelf hun outfit, materieel en vervoersmiddel te bepalen en dit feitelijk ook doen’, maar deze par. 3.17 maakt geen deel uit van het ontvankelijkheidsverweer van Deliveroo. [331]
onder (vii)vermelde stelling geldt strikt genomen dat deze niet is terug te lezen op de vindplaatsen waarnaar het subonderdeel verwijst. [332] Afgezien daarvan geldt dat het hof niet kan worden verweten dat het deze stelling niet (kenbaar) bij zijn bestreden oordeel heeft betrokken. Evenmin is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd te noemen in het licht van stelling (vii). Voor zover die stelling ziet op de wijze waarop
uitvoeringwordt gegeven aan de twee soorten contracten die Deliveroo hanteert, behelst de stelling immers niet een element van
verschiltussen de bezorgers.
de individuele verschillen blijken uit de verklaringen (productie 12 en aanvullende producties 35, 43 en 45 MvG)’, zonder dat wordt geconcretiseerd om welke verschillen het gaat. [333] Bij die stand van zaken was het hof niet gehouden de producties kenbaar in zijn oordeel te betrekken en kan niet worden gezegd dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de producties.
subonderdeel 1.3is het bestreden oordeel onbegrijpelijk, omdat het niet mogelijk is vast te stellen hoe feitelijk uitvoering wordt gegeven aan een overeenkomst in een procedure waarin één van beide contractspartijen (de bezorgers) niet is betrokken. De feitelijke uitvoering is immers mede afhankelijk van het gedrag en het handelen van de bezorger(s), waarmee Deliveroo en FNV niet bekend (hoeven te) zijn, aldus het subonderdeel.
die voor de twee groepen van bezorgers verder niet verschilt’. Volgens het subonderdeel houdt deze zinsnede de conclusie in dat ‘
de tussen partijen overeengekomen rechten en plichtenvoor de twee groepen van bezorgers verder niet verschillen en dat FNV (dus) ontvankelijk is in haar vorderingen’ (mijn onderstreping). Aldus wordt door het subonderdeel tot uitgangspunt genomen dat de zinsnede betrekking heeft op de direct daaraan voorafgaande woorden ‘
tussen partijen overeengekomen rechten en plichten’. Dat lijkt mij niet juist.
voor de kwalificatie (…) tot gevolgd heeft’) die betrekking heeft op de twee stappen die moeten worden doorlopen bij de kwalificatie van een overeenkomst (vgl. onder 7.3-7.4). [335] Die overweging lijkt mij slechts een verwerping in te houden van de direct voorafgaand aan de overweging weergegeven stelling van Deliveroo dat de motieven op grond waarvan de bezorgers hun werkzaamheden verrichten (sterk) kunnen verschillen (vgl. subonderdeel 1.2, stelling (i)), kennelijk in die zin dat die motieven volgens het hof geen rol spelen bij de beantwoording van de kwalificatievraag. Dat de overweging, ter verwerping van voornoemde stelling, niet méér behelst dan een ‘neutrale’ weergave van de bij de kwalificatie van een overeenkomst te doorlopen stappen, en dus niet (reeds) een inhoudelijk oordeel over de tussen partijen overeengekomen rechten en plichten inhoudt, kan m.i. ook hieruit worden opgemaakt, dat het hof eerder in rov. 3.2 al (impliciet) tot het oordeel komt dat is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste (de bewuste stelling van Deliveroo maakt dat volgens het hof niet anders).
vaststellingvan de overeengekomen rechten en plichten voor de twee groepen op dezelfde wijze kan plaatsvinden (‘
verder niet verschilt’). Daarop duidt ook dat het hof het woord ‘verschilt’ gebruikt, hetgeen tekstueel terugslaat op
de vaststellingvan de overeengekomen rechten en plichten. Als het hof de zinsnede had willen laten terugslaan op
de tussen partijen overeengekomen rechten en plichten, dan zou het woord ‘verschillen’ (moeten) zijn gebruikt.
de tussen partijen overeengekomen rechten en plichtenvoor de twee groepen van bezorgers verder niet verschillen. Het subonderdeel mist daarmee feitelijke grondslag en kan niet tot cassatie leiden. Daarbij kan nog worden aangetekend dat zich in de tussen haakjes geplaatste zinsnede ook niet het door het subonderdeel genoemde oordeel laat lezen dat ‘FNV (dus) ontvankelijk is in haar vorderingen’.
12.Samenvatting van het arrest van het hof
Haviltex-criterium moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen overeengekomen zijn.
Regularen
Unlimited) geldt dat de bezorgers, gelet op de hoogte van het inkomen, niet een inkomen kunnen verwerven van een zodanige hoogte dat zij adequate voorzieningen kunnen treffen voor arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Er is dan ook geen reden om onderscheid te maken tussen de verschillende contracten (rov. 3.12.2 en 3.11.2).
loonbelasting), niet als ondernemer (rov. 3.8.3).
13.Onderdeel 2 – Toetsingskader
verplichtingtot
persoonlijkearbeidsverrichting, sprake is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst (subonderdeel 2.2). Tot slot bevat het onderdeel een motiveringsklacht met betrekking tot de ‘
gegeven’ vrijheid ten aanzien van het verrichten van de arbeid, die gericht is tegen rov. 3.12.1 (subonderdeel 2.3).
subonderdeel 2.1is gericht tegen het in rov. 3.5 opgenomen oordeel van het hof, dat voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval, voor zover dit oordeel zo moet worden begrepen dat de elementen van art. 7:610 BW Pro in onderling verband moeten worden beschouwd. Volgens Deliveroo moeten weliswaar alle relevante omstandigheden van het geval, in onderling verband, in ogenschouw worden genomen bij de vaststelling van de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen (
Haviltex), maar de toetsing van deze overeengekomen rechten en verplichtingen aan (de elementen van) art. 7:610 BW Pro is vervolgens ‘digitaal’: per element moet worden getoetst, waarbij steeds slechts twee uitkomsten mogelijk zijn (wel/niet aan voldaan).
verplichtingtot
persoonlijkearbeidsverrichting moet bestaan). Ook wordt geklaagd dat deze conclusie onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof niet uitlegt waarom toch sprake is van een arbeidsovereenkomst, hoewel de aan de bezorgers ten aanzien van het verrichten van de arbeid gegeven vrijheid eerder op de afwezigheid van een dergelijke overeenkomst duidt dan op de aanwezigheid ervan. Dat die vrijheid niet onverenigbaar is met de kwalificatie van de overeenkomsten als arbeidsovereenkomsten, is in dit verband onvoldoende, volgens subonderdeel 2.2.
gegeven’ vrijheid, voor zover het hof hiermee bedoelt dat deze vrijheid iets is dat Deliveroo aan de bezorgers ‘geeft’, nu die vrijheid contractueel is overeengekomen tussen partijen.
14.Onderdeel 3 – Arbeid
subonderdeel 3.1is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, die blijkt uit de conclusies van het hof in rov. 3.7.5. Het hof heeft daar overwogen dat de vervangingsmogelijkheid van de bezorgers niet ‘
onverenigbaar’ is met het bestaan van een arbeidsovereenkomst, en in rov. 3.7.8, dat de vrijheid waarmee de arbeid kan worden verricht weliswaar kan duiden op de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst, maar niet van dien aard is dat de kwalificatie ‘arbeidsovereenkomst’ daarmee ‘onverenigbaar’ is. Het hof heeft blijkens deze conclusies immers tot uitgangspunt genomen dat de overeenkomsten tussen de bezorgers en Deliveroo als arbeidsovereenkomsten moeten worden aangemerkt, tenzij de inhoud daarvan zich tegen die kwalificatie zou verzetten. Anders gezegd: het hof heeft in feite onderzocht op er aanleiding is de overeenkomsten
nietals arbeidsovereenkomsten aan te merken, terwijl het had moeten onderzoeken of de inhoud van die overeenkomsten ertoe dwingt dat
welte doen. Het hof heeft dus niet de juiste toetsing aangelegd, aldus Deliveroo.
Free Login-systeem aan de bezorgers ‘
een grote mate van vrijheid geeft om zich aan te melden wanneer zij willen, en om aangeboden ritten al dan niet te accepteren’. Net als de vervangingsmogelijkheid kan deze vrijheid volgens het hof duiden op de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst, maar de vrijheid is ‘
naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat daarmee de kwalificatie ‘arbeidsovereenkomst’ onverenigbaar is’ (rov. 3.7.8). Het hof heeft aldus onder ogen gezien dat sprake is van een grote mate van vrijheid, maar oordeelt dat dit niet onverenigbaar is met het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dat oordeel laat zich naar zijn aard niet (nader) motiveren en is ook juist: de vrijheid van een werker om te werken wanneer hij of zij dat wil, is niet onverenigbaar met een arbeidsovereenkomst (zie hfst. 10).
ex nuncsprake is van een arbeidsovereenkomst; veeleer noemt het hof deze achtergrond als aanloop naar de tweede ‘ontwikkeling’: de vervanging van het SSB-systeem door het
Free Login-systeem. Deze tweede ontwikkeling heeft zich voorgedaan sinds de uitspraak in eerste aanleg (zie ook uitdrukkelijk rov. 3.4). Vervolgens maakt het hof in rov. 3.7.4 duidelijk dat dit
Free Login-systeem de bezorgers ‘
een grote mate van vrijheid geeft om zich aan te melden wanneer zij willen, en om aangeboden ritten al dan niet te accepteren’, waarna in rov. 3.7.8 tot uitdrukking wordt gebracht dat deze vrijheid weliswaar kan duiden op de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst, maar dat dit naar het oordeel van het hof niet van dien aard is dat daarmee de kwalificatie ‘arbeidsovereenkomst’ onverenigbaar is (zie ook de bespreking van het vorige subonderdeel). Het hof heeft de in rov. 3.7.2 geschetste werkwijze dus uitdrukkelijk betrokken in de oordeelsvorming.
niet is komen vast te staan dat Deliveroo te dien aanzien invloed kan uitoefenen, maar het is – gelet op het geavanceerde systeem dat ‘Frank’ blijkens de gedingstukken kennelijk is – ook niet uitgesloten.’ Deliveroo klaagt in dit subonderdeel 3.3 dat hiermee onduidelijk is of het hof het gebrek aan invloed van Deliveroo op de verdeling van de bestellingen in zijn beoordeling heeft betrokken en, zo ja, op welke wijze het hof dat dan heeft gedaan. Die onduidelijkheid zie ik niet: het hof verbindt immers geen gevolgen aan deze feitelijke constateringen; veeleer bevat rov. 3.7.3 een beschrijving van de wijze waarop Deliveroo de werkzaamheden organiseert, waarop vervolgens in het kader van de gezagsverhouding nog wordt teruggekomen (met name in rov. 3.9.6-3.9.8). Het hof heeft voldoende inzicht in zijn gedachtegang gegeven.
niet vaststaat dat Deliveroo invloed kan uitoefenen op de vraag aan welke bezorger een bestelling wordt aangeboden’, maar dat is niet juist. Rov. 3.7.3 valt niet anders te begrijpen dan dat het hof heeft geoordeeld dat het geavanceerde systeem Frank
in elk gevalde GPS-locatie van de bezorger betrekt bij het toedelen van bestellingen – dus dat Deliveroo op die wijze wel degelijk invloed uitoefent (zie ook rov. 3.9.8); de taken worden (begrijpelijkerwijs) niet willekeurig over alle aangemelde bezorgers verdeeld – en dat niet is komen vast te staan of het algoritme ook nog andere criteria betrekt bij die toedeling. Evenmin doet zich voor dat het hof dit ‘
in het nadeel van Deliveroo’ heeft uitgelegd, zoals Deliveroo nog stelt in haar schriftelijke toelichting (par. 225).
verplichtkarakter moet hebben; en
persoonlijkearbeidsverrichting vereist.
persoonlijkearbeidsverrichting vereist (zie subonderdeel 3.5 onder ii), maar rov. 3.7.5 zó moet worden begrepen dat naar het oordeel van het hof aan dit vereiste is voldaan omdat het niet mogelijk lijkt dat een bezorger zijn werkzaamheden door allerlei vervangers tegelijk laat uitvoeren en/of omdat niet is gebleken dat zich de situatie voordoet dat een bezorger zich permanent laat vervangen. In dat geval geeft het oordeel van het hof eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat bij die lezing het hof een onjuiste invulling heeft gegeven aan het vereiste van
persoonlijkearbeidsverrichting. Van een dergelijke verplichting is immers geen sprake, aldus het middel, indien het werk ‘slechts’ aan één ander tegelijk kan worden uitbesteed en/of wanneer vervanging niet permanent mogelijk of toegestaan is: het vereiste houdt in dat de werknemer gehouden moet zijn de overeengekomen werkzaamheden
zelfuit te voeren.
Free Login-systeem (naar dergelijke vindplaatsen wordt althans niet verwezen). Tegen deze achtergrond is de door het hof gegeven uitleg van de overeenkomst niet onbegrijpelijk.
Deliveroo kennelijk weinig eisen [stelt] aan de toestemming die zij aan een bezorger geeft om zich te laten vervangen.’ (rov. 3.7.5, voorlaatste volzin). Dat het hof in art. 7:659 BW Pro ruimte ziet om dergelijke omstandigheden te betrekken bij zijn oordeel, is geenszins onbegrijpelijk. Bij dergelijk niet-complex werk, dat is afgebakend in taken (de bezorging van een maaltijd op een bepaald adres) ligt het niet in de rede om eisen (‘subjectieve voorkeuren’ van de werkverschaffer) te stellen aan eventuele vervangers (wat ook niet goed zou stroken met de kennelijk lage drempel die geldt om als bezorger aan de slag te gaan, zie ook onder 9.20).
tegelijkertijdaan (meerdere) concurrenten diensten te verlenen, [337] missen de klachten feitelijke grondslag. Gelet op de door het hof vastgestelde en in cassatie niet bestreden gemiddelde besteltijd van omstreeks dertig minuten, waarin de bezorger van zijn of haar vertreklocatie naar het restaurant moet rijden, daar moet wachten tot de maaltijd gereed is en de maaltijd dan naar het opgegeven adres moet brengen (rov. 3.9.2) is het immers praktisch niet goed voorstelbaar op welke wijze een bezorger
gedurende het verrichten van deze werkzaamhedenook voor een concurrent werkzaam zal kunnen zijn. Het hof zal dus het oog hebben gehad op de vrijheid van de bezorgers om voor concurrerende ondernemingen werkzaam te zijn op de momenten waarop zij
geenwerkzaamheden voor Deliveroo uitvoeren (al dan niet in de periode waarin de bezorger wél ingelogd is op het platform [338] ).
15.Onderdeel 4 – Loon
een automatische tweewekelijkse betaling door Deliveroo aan de bezorger’ – lijkt meer op die van een arbeids- dan een opdrachtovereenkomst (rov. 3.8.1, laatste volzin).
kanleiden dan sprake is van loon als bedoeld in art. 7:610 BW Pro. Dat is juist: loon is de overeengekomen tegenprestatie voor de arbeid [340] en in deze procedure staat vast de bezorgers voor hun werkzaamheden betaald krijgen. Daarmee is niet gezegd – anders dan het middel tot uitgangspunt neemt – dat hiermee per definitie al aan het loonelement voldaan is. Dat het hof daar niet vanuit is gegaan, blijkt ook uit de volgende overwegingen, waarin het hof onderzoekt hoe de hoogte van de beloning wordt vastgesteld en of de wijze van betaling een aanwijzing vormt voor dan wel tegen de kwalificatie van de rechtsverhouding als arbeidsovereenkomst.
eenautomatischetweewekelijkse betaling door Deliveroo aan de bezorger’. Dat dit meer lijkt op een arbeidsovereenkomst, waarbij naar het hof overweegt ‘
de werkgever uit zichzelf het loon moet betalen’ dan op een opdrachtovereenkomst waarbij ‘
de opdrachtnemer zelf factureert’, is geenszins onbegrijpelijk.
Deliveroo betaalt de bezorgers per afgeleverde bestelling’ en dit wordt gevolgd door een weergave van de te verdienen bedragen. Zie ook rov. 2.4, zevende volzin. Daarin ligt – ik zou haast zeggen: uiteraard – besloten dat de beloning van de bezorgers resultaatsafhankelijk is en dat de bezorgers in die zin (ondernemers)risico lopen.
Deliveroo draagt geen loonbelasting en werknemerspremies voor de zelfstandige bezorgers af’, [342] behoefde geen uitdrukkelijke overweging in de bestreden uitspraak. Dit heeft immers als uitgangspunt te gelden bij betaling per factuur, en bij het hof zal geen misverstand hebben bestaan over het niet-afdragen van loonbelasting en werknemerspremies door Deliveroo (waarbij nog valt op te merken dat FNV deze stelling ook niet weersproken heeft).
btw (apart) in rekening wordt gebracht’ en stelling (iv) houdt in dat de bezorgers een eigen btw-administratie voeren. Het hof heeft onder ogen gezien dat sommige bezorgers btw-plichtig zijn (zie rov. 2.4, vijfde en zesde volzin, rov. 3.8.1, dertiende volzin, en rov. 3.8.3, eerste t/m derde en elfde volzin); in de overwegingen ligt aldus besloten dat die btw ook op de factuur (door Deliveroo namens) de bezorgers in rekening gebracht wordt. Het spreekt hiermee voor zich dat de btw-plichtige bezorgers een btw-administratie voeren, zoals Deliveroo in eerste aanleg heeft gesteld. [343] Dat behoefde geen uitdrukkelijke overweging van het hof.
nietde situatie voordoet waarin de bezorgers invloed kunnen uitoefenen op de hoogte van hun beloning.
FNV Kiemin algemene zin zou volgen dat ondernemerschap een contra-indicatie is voor werknemerschap, aldus Deliveroo in cassatie. Uit die uitspraak volgt slechts dat een werker de hoedanigheid van ondernemer kan verliezen, indien hij niet zelfstandig zijn marktgedrag bepaalt, doordat hij geen financiële en commerciële risico’s draagt. Over dat laatste heeft het hof evenwel niets vastgesteld, zodat het oordeel dat de bezorgers niet als ondernemers – en dus wel als werknemers – zijn aan te merken, rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is. Daarbij is van belang dat door Deliveroo is aangevoerd dat betaling plaatsvindt per afgeleverde bestelling, zodat de beloning resultaatsafhankelijk is en het ondernemersrisico dus bij de bezorgers ligt, aldus de klacht.
FNV Kiem-arrest [344] een onderscheid tussen werknemerschap en ondernemerschap wordt gemaakt, dat het zijn van ondernemer een indicatie is voor de afwezigheid van werknemerschap, dat het ontbreken van ondernemerschap een indicatie kan vormen voor werknemerschap en dat ruim tweederde van de bezorgers van Deliveroo zich, in ieder geval als het gaat om de omzetbelasting, niet als ondernemer beschouwt. Daarmee is voldoende duidelijk dat het hof hier het oog heeft op – en zich op deze plaats ook beperkt tot – een fiscaal perspectief op ondernemerschap. Dat het hof dit aspect bij zijn oordeel heeft betrokken is zeker niet onbegrijpelijk, nu fiscaal ondernemerschap kán wijzen op het zijn van zelfstandig ondernemer (vanwege het handhavingsmoratorium is daaraan op dit moment overigens niet veel betekenis toe te kennen).
FNV Kiemgenoemde omstandigheden langs te lopen en, zoals het subonderdeel betoogt, had dienen vast te stellen wie de financiële en commerciële risico’s draagt. De enkele stelling van Deliveroo dat de bezorgers per bestelling worden betaald, kan moeilijk worden beschouwd als een serieuze verdediging van het standpunt dat de bezorgers financieel en commercieel risico dragen ten aanzien van hun werkzaamheden voor Deliveroo. In dat verband is ook nog te wijzen op art. 7:624 BW Pro, waarin een regeling is gegeven voor ‘stukloon’. Daaruit blijkt dat het per bestelling betaald krijgen, op zichzelf geen indicatie is dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Regular-overeenkomst vanwege fiscale regelgeving geen
btw-afdracht hoeft plaats te vinden (rov. 2.4) en dat tweederde van de bezorgers zich, in ieder geval wat de
omzetbelasting betreft, niet als ondernemer beschouwt (rov. 3.8.3). Dit gelet op het partijdebat, waar Deliveroo in feitelijk instanties heeft gesteld dat de kwalificatie ‘hobbymatig’ is gebaseerd op art. 2c lid 1 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, dat de ‘hobbymatige’ bezorger is vrijgesteld van de
loonbelasting (dus niet van de
omzetbelasting), dat de bezorgers door de Belastingdienst als btw-plichtig zijn aangemerkt, en dat bij de facturatie btw in rekening wordt gebracht. In het licht van deze stellingen zijn de hier bestreden oordelen onbegrijpelijk, althans behoefden ze nadere motivering, aldus dit subonderdeel. Als de kwalificatie ‘hobbymatig’ al van belang zou zijn, is dat gelet op het voorgaande eerder een aanwijzing dat de bezorgers zich niet als
werknemerbeschouwen dan dat zij zich niet als
ondernemerzouden beschouwen. Loonbelasting is immers een typische belasting voor werknemers, aldus Deliveroo.
loonbelasting. [345] In zoverre slaagt de klacht.
loonbelasting hoeven af te dragen, blijft het oordeel van het hof dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor zelfstandig ondernemerschap van de bezorgers overeind. De argumenten onder XVII (a), (b), (c), (d) en (f) gelden immers ook dan nog. Die argumenten zijn voldoende om het oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor zelfstandig ondernemerschap van de bezorgers, te dragen. Hierbij is aan te tekenen dat de fiscale kwalificatie van werkrelaties op dit moment weinig gewicht in de schaal kan leggen, gelet op enerzijds het handhavingsmoratorium (zie onder 6.8) en anderzijds het gegeven dat ervan uit moet worden gegaan dat er een groot aantal werkers is die zichzelf presenteren als zzp’er maar die eigenlijk als werknemer kwalificeren (zie onder 6.1, 6.2 en 6.7).
Regular-overeenkomst geen omzetbelasting hoeven af te dragen. Deliveroo heeft in par. 5.10 van de memorie van grieven namelijk het volgende aangevoerd:
Regular-overeenkomst en de
Unlimited-overeenkomst. Dat strookt met het onderscheid dat Deliveroo maakt in de hiervoor geciteerde par. 5.10 van de memorie van grieven. Nu in die passage onder (b) wél maar onder (a) níet wordt gerept van een KvK- en btw-registratie, is het niet onbegrijpelijk dat het hof in overweegt dat onder de
Regular-overeenkomst geen btw-afdracht verplicht is (rov. 2.4, vijfde volzin) en dat bezorgers bij gebruik van de
Unlimited-overeenkomst wel btw in rekening dienen te brengen en af te dragen (rov. 2.4, zesde volzin). [346]
zich’ niet als ondernemers beschouwen. Deze kwalificatie zegt immers niets over de verplichtingen van de bezorgers, maar slechts iets over de hoogte van het inkomen. Het betreft een fiscale kwalificatie, waarop Deliveroo noch de bezorgers invloed hebben.
16.Onderdeel 5 – In dienst van
kanzijn voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding. Uit de uitspraak blijkt echter niet dat het hof dit heeft miskend. Dit is juist het aspect dat volgens het hof het meeste wijst in de richting dat
geenarbeidsovereenkomst zou bestaan. Het hof overweegt in rov. 3.12.1 (nogmaals) expliciet dat ‘
slechts de aan de bezorgers ten aanzien van het verrichten van de arbeid gegeven vrijheid een omstandigheid is die eerder wijst op de afwezigheid dan op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst.’
Het toekennen van bonussen vergroot de mogelijkheid van Deliveroo om invloed uit te oefenen op het gedrag van de bezorgers (bijvoorbeeldhet accepteren van ritten die de bezorgers zonder die bonus niet zouden hebben aanvaard).’ Tegen de achtergrond van rov. 3.7.4, waarin de vrijheid onder het
Free Login-systeem uitgebreid aan bod komt, was het hof niet gehouden om hier een verdere motivering aan te wijden.
tegelijkertijdaan (meerdere) concurrenten diensten te verlenen, mist dit feitelijke grondslag (zie de bespreking van subonderdeel 3.9). Voor het overige geldt dat het hof in rov. 3.7.7 (in cassatie tevergeefs bestreden, zie eveneens subonderdeel 3.9), heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat het bezorgers vrij staat voor een concurrerende onderneming te werken, geen omstandigheid is die van groot belang is voor de aan- dan wel afwezigheid van een arbeidsovereenkomst. Dit oordeel is weliswaar onder het tussenkopje ‘arbeid’ geplaatst, maar is in algemene bewoordingen geformuleerd en valt niet anders te begrijpen dan dat het niet beperkt is tot het element arbeid.
nietsprake is van een arbeidsovereenkomst. Het hof heeft dus een onjuiste toetsing aangelegd.
dezevrijheid niet duidt op de aan- of afwezigheid van een arbeidsovereenkomst. In dat oordeel ligt niet besloten dat het hof van oordeel zou zijn dat zeggenschap van de werkverschaffer over de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd, van belang
kanzijn bij de vraag of sprake is van gezagsverhouding is.
moetafronden, maar een dergelijke verplichting is er niet en is ook niet door het hof vastgesteld. Integendeel: in de openingszin van rov. 3.9.2 overweegt het hof dat uit de gedingstukken niet blijkt dat aan de bezorgers een tijd wordt voorgeschreven binnen welke zij een bestelling moeten afleveren, en in het vervolg van rov. 3.9.2 stelt het hof slechts vast dat de gemiddelde bezorgtijd circa 30 minuten is. Het oordeel van het hof, dat de vrijheid van de bezorger om zelf de precieze route te kiezen slechts betrekkelijk is, is tegen deze achtergrond niet te volgen.
kiezen voor de snelste route, eventueel rekening houdend met een veilige fietsroute.’ Deze overweging is geenszins onbegrijpelijk. Het hof hoefde daar niet ook nog bij te betrekken dat de bezorgers druk ervaren van de klant die hun route via GPS-gegevens voortdurend kan volgen (rov. 3.9.7), want begrijpelijkerwijs kan ook dat ertoe leiden dat de bezorgers niet snel een andere route zullen kiezen; ook dit onderstreept de betrekkelijkheid van deze vrijheid. Tot slot is het oordeel van het hof niet erop gestoeld dat een bezorger de verplichting zou hebben om de bestelling in zo’n 30 minuten af te ronden; zoals in het subonderdeel ook wordt onderkend, overweegt het hof juist dat uit de gedingstukken
nietblijkt dat de bezorgers een bezorgtijd wordt gesteld.
bevoegdheidbestaat aanwijzingen te geven. Het hof heeft niets vastgesteld over die bevoegdheid en heeft evenmin vastgesteld dat in de praktijk aanwijzingen gegeven worden.
de mate waarin aanwijzingen gegeven worden, op zich zelf niet veel zegt over de aan- dan wel afwezigheid van een arbeidsovereenkomst’ (rov. 3.9.3, laatste volzin), is dan ook terecht.
relatief eenvoudige aard’ zijn (rov. 3.7.5, voorlaatste volzin). Het hof was ook niet gehouden om verdere vaststellingen te doen over de bevoegdheid van Deliveroo om aanwijzingen te geven, en evenmin over de vraag of dit in de praktijk wel of niet gebeurt. Overigens heeft het hof wél overwogen dat Deliveroo door middel van het algoritme ‘Frank’ het werk verdeelt (rov. 3.9.7) en dat via ditzelfde algoritme invloed wordt uitgeoefend op de wijze waarop het werk wordt verricht en de manier waarop bonussen worden toegekend (rov. 3.9.8). Dat betekent dat het hof zijn oordeel dat Deliveroo bevoegdheid heeft om instructies te geven ten aanzien van de uitvoering van het werk, breder heeft gemotiveerd.
in staatis aanwijzingen te geven, betekent niet dat daartoe ook de
bevoegdheidbestaat. De enkele omstandigheid dat de werkzaamheden tot de gewone bedrijfsarbeid behoren, duidt derhalve (nog) niet op een gezagsverhouding, zo wordt geklaagd.
de bezorging van maaltijden een kernactiviteit van Deliveroo is’, wordt immers enkel bestreden met de rechtsklacht uit dit subonderdeel 5.5.
IVA/Queissen-arrest [347] van de Hoge Raad, zoals Deliveroo aanvoert. [348] Los van de vraag of de Hoge Raad in die uitspraak (zoals het hof in rov. 3.9.4 veronderstelt) heeft bedoeld dat het verrichten van gewone bedrijfsarbeid op een gezagsverhouding kan duiden, heeft de Hoge Raad in ieder geval niet het tegendeel beslist. In de rechtspraak van de civiele kamer is nog niet naar voren gekomen of bij het criterium van ‘organisatorische inbedding’ wordt aangesloten.
Regularen
Unlimited). Het hof gaat er in dit oordeel ten onrechte van uit dat omzetting van de rechtsverhouding zou hebben plaatsgevonden, terwijl Deliveroo heeft uiteengezet dat hiervan geen sprake is geweest. In het licht van die uiteenzetting – van de juistheid waarvan in cassatie bij wege van hypothetische grondslag moet worden uitgegaan, nu het hof daaromtrent niets heeft vastgesteld – is het oordeel van het hof, dat Deliveroo de contractvorm op basis waarvan de bezorgers hun werkzaamheden verrichten eenzijdig heeft gewijzigd, onbegrijpelijk.
Free Login-systeem. Die systemen betreffen immers niet de (inhoudelijke) organisatie van de werkzaamheden, maar slechts de manier en het tijdstip waarop bezorgers zich kunnen aanmelden om kenbaar te maken dat zij beschikbaar zijn voor het aannemen van bestellingen (rov. 2.5). Voor de bezorgers veranderde niets aan de vrijheid om zich aan en af te melden wanneer zij willen, om aangeboden bestellingen aan te nemen of te weigeren en om zelf te bepalen hoe – dat wil zeggen: met welk vervoermiddel, met welke bezorgtas en in welke kleding – zij de bestelling bij de klant afleveren. In dat licht is (ook) onbegrijpelijk dat deze overstap van systeem op een gezagsverhouding duidt. Tot slot wordt geklaagd dat, in het verlengde hiervan, onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 3.12.2, dat Deliveroo in de tijd dat zij het SSB-systeem hanteerde een grotere invloed had op de werkwijze van de bezorgers dan thans onder het
Free Login-systeem.
Free Login-systeem beschouwt als een wijziging van de wijze waarop Deliveroo de werkzaamheden organiseerde. Blijkens rov. 2.5 behelst deze wijziging het afschaffen van de mogelijkheid om van tevoren sessies te reserveren (waarbij sommige bezorgers met ‘
priority acces’ op een vroeger tijdstip in de gelegenheid werden gesteld om te reserveren dan andere bezorgers). Het oordeel dat deze afschaffing een wijziging is van de wijze waarop de werkzaamheden worden georganiseerd, is niet onbegrijpelijk. Dat met deze overstap een aantal aspecten onveranderd bleef, zoals Deliveroo hier aanvoert, betekent uiteraard niet dat de afschaffing van de reserveringsmogelijkheid niet zou kunnen worden beschouwd als een wijziging van de manier waarop de werkzaamheden worden georganiseerd.
Free Login-systeem. Deze klacht bouwt voort op de eerste klacht uit dit subonderdeel, die tevergeefs is voorgesteld. Daarmee faalt ook deze klacht. Ook overigens is van onbegrijpelijkheid geen sprake: onder het SSB-systeem kon een bezorger, afhankelijk van zijn
rating, het ‘verdienen’ om op een vroeger tijdstip dan andere bezorgers sessies te reserveren (rov. 3.7.2), waarbij het weigeren van ritten tot nadelige consequenties voor die
ratingkon leiden (rov. 3.7.4). Langs deze weg oefende Deliveroo dus een grotere invloed uit op de werkwijze van de bezorgers dan onder het huidige
Free Login-systeem, waarin een
ratingkennelijk geen rol speelt.
Care4Care-arrest is door de Hoge Raad geoordeeld dat de vraag of daarvan sprake is, moet worden beantwoord aan de hand van dezelfde maatstaven die gelden voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezagsverhouding als bedoeld in art. 7:610 BW Pro. [349] Hieruit volgt dat ‘controle’ (dat een synoniem voor ‘toezicht’ is [350] ) een relevant gezichtspunt kan zijn bij de vaststelling of sprake is van een gezagsverhouding.
ook iets kan’ richting de bezorgers, wat niet het geval is en wat het hof ook niet zou hebben vastgesteld.
mogelijkheidgeeft. Dat is – los van het feit dat controle en gezag verschillende dingen zijn, zoals uiteengezet in subonderdeel 5.8 – evenwel onvoldoende om een gezagsverhouding aan te nemen. Het hof heeft niet vastgesteld dat controle ook daadwerkelijk plaatsvindt, laat staan dat Deliveroo daartoe bevoegd zou zijn. Daarmee is sprake van een onjuist en/of onbegrijpelijk oordeel, aldus Deliveroo.
verdelingvan het werk en niet de organisatie daarvan betreft. De omstandigheid dat Deliveroo ‘Frank’ heeft ontworpen en voortdurend aanpast, betekent derhalve niet dat Deliveroo bemoeienis heeft met de wijze waarop het werk wordt verricht.
in elk gevalde GPS-locatie van de bezorger betrekt bij het toedelen van bestellingen – dus dat Deliveroo op die wijze wel degelijk invloed uitoefent; de taken worden (begrijpelijkerwijs) niet willekeurig over alle aangemelde bezorgers verdeeld – en dat niet is komen vast te staan of dit algoritme ook nog andere criteria betrekt bij die toedeling. Kennelijk beschouwt het hof de verdeling van het werk als aspect van de organisatie van het werk, zo volgt uit de met dit subonderdeel 5.10 bestreden rov. 3.9.8. Dat is niet onbegrijpelijk. Deliveroo verdeelt de bestellingen onder haar bezorgers met het algoritme Frank, waarmee dus wordt bepaald welke bezorger op welk moment naar welk restaurant en daarna naar welke klant gaat, indien de bezorger de rit accepteert. Daarmee is de overweging van het hof dat Deliveroo (door middel van het door haar ontworpen en voortdurend aangepaste algoritme Frank) een grote bemoeienis heeft met de wijze waarop de werkzaamheden worden verricht (rov 3.9.8, zesde volzin), niet onbegrijpelijk.
stacked-
ordersheeft verhoogd om bezorging daarvan aantrekkelijker te maken. Dat Deliveroo hiervoor de beloning heeft moeten verhogen, illustreert evenwel juist dat Deliveroo
geengezag heeft over de bezorgers; anders had Deliveroo hen immers eenvoudigweg kunnen instrueren om
stacked-
ordersaan te nemen en was een aanpassing van het beloningssysteem niet nodig geweest.
Participatieplaats-arrest, met verwijzing naar de conclusie van A-G Spuznar in de
Uber- en
UberPop-zaken bij het HvJ EU. [351] Terecht richt Deliveroo dan ook geen motiveringsklacht tegen de overweging van het hof, dat het toekennen van bonussen de mogelijkheid van Deliveroo vergroot om invloed uit te oefenen op het gedrag van de bezorgers (rov. 3.9.8, dertiende volzin).
dat de wijze waarop Deliveroo werkzaamheden door bezorgers laat uitoefenen, veeleer [duidt] op een gezagsrelatie, dan op de afwezigheid van een gezagsrelatie.’
dusals bezorgers van Deliveroo (her)kenbaar moeten zijn.
Deliveroo biedt ook de mogelijkheid voor restaurants om zich via het platform aan te bieden zonder gebruik te maken van de bezorgservice van Deliveroo. Restaurants regelen dan hun eigen bezorgservice.’
Groen/Schoevers-arrest. Onder verwijzing naar subonderdeel 2.1 wordt geklaagd dat het hof miskent dat de maatschappelijke positie van een partij van belang is in het kader van het
Haviltex-criterium, dus bij de vaststelling van de overeengekomen rechten en verplichtingen, en niet bij de kwalificatie van een overeenkomst.
Onderdeel 6 – Gedurende zekere tijd en het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW
nietzijn vervuld. Hiermee heeft het hof ofwel miskend dat de stelplicht (en bewijslast) ter zake de toepasselijkheid van art. 7:610a BW bij FNV ligt, ofwel heeft het hof te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van Deliveroo in het kader van de betwisting van de voorwaarden voor deze toepasselijkheid. FNV heeft ter onderbouwing van haar beroep op art. 7:610a BW niet meer aangevoerd dan dat de gemiddelde duur van de overeenkomst van een bezorger langer is dan drie maanden en dat ‘
de bezorger’ gemiddeld aanmerkelijk meer dan twintig uren per maand werkt. Gelet op deze summiere stellingname, is het onjuist en/of onbegrijpelijk dat het hof van Deliveroo een nadere onderbouwing heeft verlangd van de betwisting dat aan de eisen voor toepassing van art. 7:610a BW is voldaan. In het bijzonder kan niet, zoals het hof kennelijk wil, van Deliveroo worden verlangd dat zij van alle bezorgers informatie overlegt waaruit blijkt dat niet is voldaan aan de eis dat drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel twintig uren per maand, is gewerkt. De omstandigheid dat Deliveroo zich op het standpunt heeft gesteld dat het vaststellen van het rechtsvermoeden slechts op individuele basis kan plaatsvinden, kan deze beslissing van het hof niet dragen, nu het hof dit standpunt heeft verworpen. Het is tegenstrijdig om enerzijds te oordelen dat het rechtsvermoeden ook op collectieve basis kan worden toegepast en anderzijds van Deliveroo te eisen dat zij op individueel niveau betwist dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Een eventuele informatieachterstand of bewijsnood aan de zijde van FNV kan de hoge eisen die het hof aan (de onderbouwing van) de betwisting door Deliveroo heeft gesteld, evenmin dragen. Deliveroo zou dan immers benadeeld worden door het feit dat sprake is van een collectieve in plaats van een individuele procedure, aangezien van een informatieachterstand of bewijsnood over de vraag of is voldaan aan de eis dat wekelijks dan wel twintig uren per maand is gewerkt, in een individuele procedure geen sprake zou kunnen zijn. De bezorger weet in dat geval zelf immers wanneer hij wel en niet heeft gewerkt. Het feit dat FNV en niet een individuele bezorger deze procedure heeft geëntameerd, mag niet in het nadeel van Deliveroo werken. Dat Deliveroo er blijk van heeft gegeven over gedetailleerde informatie te beschikken over de bezorgers, zoals het hof in rov. 3.10.1 overweegt, maakt dit niet anders.
18.Onderdeel 7 – Overige omstandigheden
nietaan bij de rechten en verplichtingen die op basis van een arbeidsovereenkomst gelden, zodat de ongevallenverzekering – zo al sprake zou zijn van een relevante omstandigheid – veeleer tegen dan vóór een arbeidsovereenkomst pleit. Anders dan het hof lijkt te menen, gaat de ongevallenverzekering ook niet verder dan op grond van art. 7:658 lid 4 BW Pro geldt, doordat de ongevallenverzekering ook voorziet in een vergoeding voor gederfde inkomsten. Ook inkomstenderving is immers schade die op de voet van art. 7:658 lid 4 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komt. In zoverre past de ongevallenverzekering juist bij de verplichtingen/aansprakelijkheden die een opdrachtgever heeft.
fiscalibusimmers niet anders beoordeeld dan in
civilibus. Bovendien, zo luidt de motiveringsklacht uit dit subonderdeel, is het arrest van het hof in dat geval innerlijk tegenstrijdig, aangezien het hof op andere plaatsen – zoals in rov. 3.8.3 – juist wel rekening heeft gehouden met de fiscale behandeling van de relatie tussen de bezorgers en Deliveroo.
van minder belang acht’ dat ‘
de Belastingdienst het werken conform de modelovereenkomst aanmerkt als niet zijnde in dienstbetrekking’ geenszins in de weg staat om het fiscale perspectief op ondernemerschap in zijn oordeelsvorming te betrekken.
kan’bestaan. Indien de behoefte aan bescherming al een relevante factor zou zijn bij de kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst, kon het hof niet met deze algemene overweging volstaan, maar had het hof – per bezorger – moeten onderzoeken of die behoefte er in het concrete geval daadwerkelijk is.
19.Onderdeel 8 – Conclusie
Unlimited-contract er een grotere behoefte aan hebben dat hun overeenkomst als een arbeidsovereenkomst wordt gekwalificeerd. Of al dan niet behoefte bestaat aan de bescherming van het arbeidsrecht, is immers geen relevante factor in het kader van de kwalificatie van een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst (zie subonderdeel 7.6).
Unlimited-contract er een grotere behoefte aan hebben dat hun overeenkomst als een arbeidsovereenkomst wordt gekwalificeerd, omdat zij meer willen (kunnen) verdienen dan 40% van het minimumloon en zij dus voor hun levensonderhoud meer afhankelijk zijn van de bij Deliveroo verkregen verdiensten dan de hobbymatige bezorgers. Dit omdat het hof in dit verband ten onrechte niet in de beoordeling betrekt dat het de bezorgers – zoals het hof in rov. 3.7.7 heeft vastgesteld, althans zoals bij wege van hypothetische feitelijke grondslag moet worden aangenomen [353] – vrij staat hun diensten tevens aan concurrenten van Deliveroo aan te bieden. Dat relativeert de afhankelijkheid van de bezorgers met een
Unlimited-contract van Deliveroo, aldus de steller van het middel.
Regular-contract als de bezorgers met een
Unlimited-contract toegestaan om werkzaamheden te verrichten voor concurrenten. Begrijpelijkerwijs besteedt het hof geen kenbare aandacht aan deze
gemeenschappelijkevrijheid, daar waar het – zoals hier in de bestreden overweging – overwegingen wijdt aan het
onderscheidtussen beide groepen bezorgers.