Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissingen op gevoerde verweren
3.Beoordeling van het middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
6 december 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen de verdachte die samen met anderen op 24 oktober 2012 in de territoriale wateren van Somalië vanuit een gekaapt Iraans visserschip, de dhow Mohsen, heeft geschoten op personeel van de Nederlandse marine. Dit gebeurde tijdens een anti-piraterijmissie waarbij de marine een Maritime Situational Awareness approach uitvoerde. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van poging tot moord, subsidiair poging tot doodslag.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van getuigen, waaronder de kapitein van het gekaapte schip (G1), verklaringen van medeverdachten, videobeelden en andere bewijsmiddelen. De verdediging voerde onder meer aan dat er onvoldoende gelegenheid was geweest om cruciale getuigen adequaat te ondervragen, wat volgens hen een schending van art. 6 lid 3 sub d EVRM Pro betekende.
Het hof oordeelde dat de verdachte en zijn mededaders nauw en bewust hadden samengewerkt en dat de verdachte een cruciale rol had door als eerste te schieten. Hoewel er inconsistenties waren in getuigenverklaringen, achtte het hof deze niet doorslaggevend voor het bewijs. De Hoge Raad bevestigde dat de verdediging voldoende gelegenheid had gehad om getuige G1 te ondervragen en dat art. 6 EVRM Pro niet was geschonden. Wel werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en bepaalde dat de gevangenisstraf vijf jaar en acht maanden bedraagt, terwijl het beroep in cassatie voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag met een gevangenisstraf van vijf jaar en acht maanden.