Uitspraak
zetelende te Bagdad, Irak,
gevestigd te Bagdad, Irak,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 december 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter rechtsmacht had in een civiele procedure tegen de Republiek Irak en de Central Bank of Iraq. De procedure betrof een verstekvonnis en een latere procedure tot herroeping. De eisers, Irak c.s., voerden beroep in cassatie aan tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 maart 2015.
De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken in de procedure en concludeerde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was nadere motivering niet nodig omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde Irak c.s. in de kosten van het geding, waarbij de kosten aan de zijde van de verweerster nihil werden vastgesteld. Hiermee werd de immuniteit van de buitenlandse staat bevestigd en werd de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in deze zaak verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de immuniteit van Irak in de civiele procedure.