Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Slotsom
6.Beslissing
29 maart 2016.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de Politierechter veroordeeld voor het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en de Opiumwet, met een werkstraf van 100 uren of subsidiair 50 dagen hechtenis. De aanvraag tot herziening is gebaseerd op het feit dat een ander dan de aanvrager de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd en daarbij de persoonsgegevens van de aanvrager gebruikte.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zou verklaren en, indien nodig, de tenuitvoerlegging van het vonnis zou opschorten of schorsen. De Hoge Raad bevestigt dat er sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457 Sv Pro, namelijk een nieuw feit dat bij de oorspronkelijke berechting niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat de aanvrager onterecht is veroordeeld.
De Hoge Raad oordeelt dat, indien de rechter destijds van deze persoonsverwisseling op de hoogte was geweest, de aanvrager waarschijnlijk vrijgesproken zou zijn. Daarom verklaart de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en afdoening.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug voor nieuwe berechting wegens persoonsverwisseling.