Conclusie
Nummer23/00900
Inleiding
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2.
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”,3.
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”, 4.
“een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vals is”en 5.
“opzetheling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftig maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De middelen
De bewezenverklaring
een Pools identiteitskaart met [nummer 1] , op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 en
een Pools rijbewijs met [nummer 2] , op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986,
twee Poolse identiteitskaarten met [nummer 3] op naam van [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] en
een Pools Rijbewijs met [nummer 4] en op naam van [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 2017,
de basisbedrukking van de identiteitskaart niet is gedrukt, maar is geprint,
de identiteitskaart niet is voorzien van een doorzichtregister,
de identiteitskaart niet is voorzien van optisch variabele inkt,
de variabele persoons- en afgiftegegevens en de pasfoto's van de houder niet middels lasergravure zijn aangebracht maar zijn geprint,
de identiteitskaart is voorzien van een afwijkende ultraviolette reactie,
de basisbedrukking van het rijbewijs is niet gedrukt maar geprint,
de bedrukking van het rijbewijs bevat geen microtekst,
de fluorescentie van het rijbewijs wijkt bij ultraviolet licht wijkt af,
het rijbewijs is niet voorzien van optisch variabele inkt,
de basisbedrukking van beide identiteitskaarten zijn niet gedrukt maar zijn geprint,
de identiteitskaarten zijn niet voorzien van optisch variabele inkt,
de variabele persoons- en afgiftegegevens en de pasfoto's van de houder zijn niet middels lasergravure aangebracht maar zijn geprint,
beide identiteitskaarten zijn voorzien van afwijkende ultraviolette reactie,
de basisbedrukking van het rijbewijs is niet gedrukt maar is geprint,
het rijbewijs is niet voorzien van een doorzichtregister,
het rijbewijs is voorzien van een niet-originele folie,
het rijbewijs is niet voorzien van optisch variabele inkt,
de fluorescentie van het rijbewijs wijkt bij ultraviolette licht af,
het rijbewijs is niet voorzien van een watermerk;
Het eerste middel
De relevante stukken van het geding
De persoon [verdachte] .
”
[verdachte] ,
Identiteit verdachte
De verdachte heeft zich bij zijn aanhouding op 12 december 2018 gelegitimeerd met een identiteitskaart van [betrokkene 1] . De verdachte is na de voorgeleiding onderworpen aan een zuil voor identiteitsvaststelling (de zogenoemde BVID-zuil). Nadat de vingerafdrukken waren afgenomen bleek uit het systeem dat de vingerafdrukken behoren bij [betrokkene 2] . De eerder opgegeven identiteit bleek vals te zijn. De verdachte heeft de naam [betrokkene 2] opgegeven bij het verhoor vlak na de aanhouding op 12 december 2018. Dit is ook de naam die de verdachte heeft opgegeven op de terechtzitting bij de rechtbank Amsterdam op 12 juni 2019 en de naam die is opgegeven bij het instellen van hoger beroep.
De bespreking van het eerste middel
de pechvogel”) [6] die in werkelijkheid schuilgaat achter een door een persoon 1, 3 of 5 valselijk opgegeven naam. [7] In voorkomende gevallen kan persoon 0 dus in mijn systematiek worden gelijkgesteld met (bijvoorbeeld) persoon 2a, persoon 4a en/of persoon 5.
zich eerder in de procedure uitgevende als:"[betrokkene 2] . [betrokkene 2] is een bestaande persoon (persoon 0) die in Polen aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude.
hijzelften onrechte onder de naam [betrokkene 2] is berecht en veroordeeld. Ware dat anders, dan had hij ook niet geldig hoger beroep kunnen instellen (alleen persoon 4 kan dat), [9] en zeker niet met gebruikmaking van de naam van een ander ( [betrokkene 2] ). Bovendien is het – meeliftend op de door de steller van het middel ingeslagen weg – niet [verdachte] die zou moeten worden vrijgesproken, maar [betrokkene 2] (persoon 0). En dat is niet zijn cliënt (dat is immers persoon 1). Ik maak hieruit verder op (maar dát verdedigt de steller van het middel uiteraard niet) dat justitie dan maar helemaal opnieuw moet beginnen met de strafvervolging van een persoon die stelselmatig valse namen opgeeft. En hoewel in feitelijke aanleg wel is aangevoerd, is in cassatie niet aan de orde dat een titel voor de toepassing van voorlopige hechtenis zou ontbreken.
NJ2012/507, oordeelde de Hoge Raad dat onduidelijkheid over de identiteit van een ter terechtzitting bij het hof verschenen verdachte ten laste van wie een vonnis is gewezen, niet gelijkgesteld kan worden met het geval waarin een rechtsmiddel is ingesteld door of namens een anonieme verdachte. [13] Daarna overwoog de Hoge Raad ten overvloede (vetdruk mijnerzijds):
2.7. Opmerking verdient dat ingeval bij het onderzoek ter terechtzitting twijfel rijst over de vraag ofde als verdachte ter terechtzitting verschenen persoon de in de dagvaarding bedoelde verdachte is, de rechter kan overgaan tot het (doen) verrichten van een nader onderzoek naar diens identiteit zoals omschreven in art. 273 in Pro verbinding met art. 27a Sv alsmede art. 29a Sv.Ingeval de rechter van oordeel is dat degene die ter terechtzitting is verschenen, niet de verdachte is, kan hij overgaan tot het verlenen van verstek tegen de alsdan afwezige verdachte, dan wel de aanwezige raadsman indien deze op de voet van art. 279 Sv Pro uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren, in de gelegenheid stellen het woord te voeren namens de niet-verschenen verdachte. Wat betreft de procedure in hoger beroep kan daaraan nog worden toegevoegd dat de appelrechterdegene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te sprekenindien komt vast te staandat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan(…).”
DD94.398. Daarin zijn de contouren van de door mij aangehaalde rechtspraak inderdaad reeds zichtbaar. [14] De Hoge Raad liet in deze uitspraken nog onvermeld welke gegevens leidend zijn voor de vraag welke persoon precies ‘de in de dagvaarding bedoelde verdachte’ (persoon 2) is, alsook wie degene is ‘te wiens laste het vonnis is gewezen’ (persoon 4), maar de hiernavolgende rechtspraak voorzag daarin wel.
2.3. Vooropgesteld moet worden dat de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan (vgl. HR 21 juni 1994, DD 94.398).Daarbij verdient opmerking dat degene op wiens naam het vonnis staat, moet worden aangemerkt als degene ten wiens laste dat vonnis is gewezen.
gerede twijfel (…) of degene op wiens naam het vonnis is gesteld, degene is die het in dat vonnis als bewezen aangenomene heeft begaan” niet besloten in “
gerede twijfel met betrekking tot de vraag of degene die verdacht wordt van het begaan van de onderhavige misdrijven, ‘onder de juiste identiteit en personalia is gedagvaard’”.
Het tweede middel
“zodanig zorgvuldig heeft plaatsgevonden”dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden hebben geleid tot een sluitende verificatie van zijn identiteit. In de cassatieschriftuur worden door de steller van het middel verschillende argumenten aangedragen (p. 16-17). Zo wordt onder meer betoogd dat bij het afnemen van de vingerafdrukken een identiteitsverwisseling kan hebben plaatsgevonden, dat aan de verklaring van de betrokkene geen doorslaggevend belang kan worden toegekend omdat het bij de vaststelling van de identiteit van een verdachte moet gaan om objectiveerbare gegevens en dat de vermeende moeder van [verdachte] weliswaar is geconfronteerd met een foto van haar zoon, maar dat het maar de vraag is of dat daadwerkelijk zijn echte moeder betreft.
De bespreking van het tweede middel
“geen enkele twijfel [heeft] over de identiteit van de verdachte in die zin dat de verdachte [verdachte] is”. Naar de reden waarom het hof – middels nader verificatieonderzoek – nog méér van deze (positieve) identificatie moest worden overtuigd dan het al was, heb ik in de toelichting op het middel tevergeefs gezocht.
Het derde middel
De strafmotivering
De bespreking van het derde middel
Het vierde middel
De eerste deelklacht
De bewijsvoering
Het verweer van de verdediging
“Het niet mededelen van de cautie
(…)
Het oordeel van het hof
“Vormverzuimen
De bespreking van de eerste deelklacht
“This is marihuana” uitgesloten van het bewijs. Voor bewijsuitsluiting van de vondst van de cocaïne en de hennep ziet het hof geen reden. Het hof is namelijk van oordeel dat met de waarneming van de hennepgeur een redelijke verdenking is ontstaan voor een overtreding van de Opiumwet, als gevolg waarvan de verbalisanten bevoegd waren onderzoek te verrichten in de auto. Zodoende is de vondst van de verdovende middelen geen rechtstreeks gevolg van het vastgestelde vormverzuim, aldus oordeelde het hof.