Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
17 mei 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van het seksueel binnendringen van het lichaam van een minderjarig meisje door een voorwerp in haar mond te brengen terwijl haar ogen waren afgedekt. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte dit in een afgesloten WC-ruimte had gedaan en dat hij het meisje vroeg of hetgeen zij in haar mond had lekker smaakte.
De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat het binnendringen een seksuele connotatie had, vooral omdat het niet was vastgesteld met welk lichaamsdeel of voorwerp het binnendringen had plaatsgevonden. Het hof verwierp dit verweer en achtte het handelen seksueel van aard gezien de omstandigheden.
De Hoge Raad overwoog dat de term 'seksueel binnendringen' een seksuele strekking vereist en dat dit per geval moet worden beoordeeld, waarbij onder meer de aard van het voorwerp en de omstandigheden van belang zijn. De Hoge Raad vond dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het handelen een seksuele connotatie had, enkel verwijzend naar het binnendringen in een afgesloten ruimte met afgedekte ogen en de vraag over de smaak.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing. De overige middelen werden niet behandeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onvoldoende motivering van het seksueel binnendringen en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.