Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Daarbij heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is omschreven.
middelbehelst de klacht dat de verwerping van het beroep op noodweer(exces) op onjuiste en/of onvolledige gronden berust, althans niet (zonder meer) begrijpelijk is gemotiveerd omdat bij dat oordeel de voorwaarden voor de aanvaarding van het beroep niet zijn betrokken en evenmin is gebleken op welke feiten en omstandigheden het oordeel omtrent culpa in causa steunt.
geef je geld”, waarop [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (dat bleek een alarmpistool) richtte op de bestuurder. Hoewel de rechtbank en het hof niet heel expliciet zijn in de volgorde van de handelingen neem ik hieronder aan dat pas in reactie op het wapen de drie verdachten een mes pakten en meermalen hebben ingestoken op [slachtoffer] , waardoor hij verscheidene ernstige verwondingen opliep terwijl hij (aanvankelijk tevergeefs) trachtte de rijdende auto te verlaten.
kunnen, maar zich daaraan ook had
moetenonttrekken. Daartoe moet dus voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid hebben bestaan, terwijl het zich onttrekken aan de aanranding ook van de verdachte moet kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
waarinen op een tijdstip
waaropvoor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar hij daarbij als
onmiddellijk gevolgvan een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was.
geef je geld” bracht het slachtoffer ertoe een alarmpistool te richten op het hoofd van [betrokkene 1], de bestuurder. Daarop trokken de verdachte en de medeverdachten ieder een mes en staken zij in op het slachtoffer, dat niet in staat was de auto te verlaten.
“aannemelijk [is] dat verdachte en zijn medeverdachten zichzelf in deze situatie hebben gebracht”een verwijzing naar het leerstuk van culpa in causa dat ik hierboven onder 20 reeds heb aangestipt. In deze overweging van de rechtbank ligt in die lezing ervan besloten dat de verdachten zich door gezamenlijk in te steken op het slachtoffer verdedigden tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die van het slachtoffer was uitgegaan, namelijk het dreigen met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp (het alarmpistool) waarover hij beschikte. De verdachten waren echter in een zodanig aanmerkelijke mate debet aan het ontstaan van deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer dat hun – naar het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank – in dit verband geen beroep op noodweer toekomt.
aan de verdachte en zijn medeverdachten geen beroep op noodweer toe[komt], omdat er geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding”. Eveneens in een overweging die ik hieronder nog zal herhalen wordt uitdrukkelijk geoordeeld dat het slachtoffer “
het alarmpistool ter bescherming van zichzelf en/of het geld op enig moment op [betrokkene 1] heeft gericht handelend uit noodweer (en daarmee niet wederrechtelijk).”
Gelet op de verklaring van [betrokkene 2] dat [slachtoffer] iets bij zich had om zich te beschermen en de verklaring van [slachtoffer] (zoals bij de bewezenverklaring opgenomen) dat hij in de auto stapte en de jongens riepen ‘geef je geld’, acht de rechtbank aannemelijk geworden dat [slachtoffer] het alarmpistool ter bescherming van zichzelf en/of het geld op enig moment op [betrokkene 1] heeft gericht handelend uit noodweer (en daarmee niet wederrechtelijk).”
nee, dat doe ik niet,” en “
laat mij er nu uit” kan ontsnappen aan de ripdeal waarvan het slachtoffer op basis van uitsluitend het commando “
geef je geld” wist dat die ging komen.