Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
24 mei 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, wegens ontuchtige handelingen met minderjarigen. Tijdens het hoger beroep verzocht de raadsman van verdachte om aanhouding van de behandeling teneinde nader onderzoek te doen naar de detentiegeschiktheid van verdachte, vanwege diens claustrofobie en ademhalingsproblemen. Dit verzoek werd door het hof afgewezen met de motivering dat een dergelijk onderzoek in dit stadium niet noodzakelijk was en dat detentiegeschiktheid in de executiefase of bij een gratieverzoek beoordeeld kan worden.
De Hoge Raad overweegt dat het verzoek tot onderzoek onder de voorwaarden van art. 328 jo Pro. art. 331 Sv Pro valt en dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast door te beoordelen of de noodzaak van het verzoek is gebleken. Hoewel de motivering van het hof minder gelukkig geformuleerd was, is het oordeel niet onbegrijpelijk gezien het uitzonderlijke karakter van detentiegeschiktheid bij straftoemeting en de beperkte onderbouwing van het verzoek.
Het cassatieberoep wordt verworpen. De zaak wordt niet vernietigd en het arrest van het hof blijft in stand, behoudens de strafoplegging die niet in cassatie werd bestreden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafoplegging en afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek naar detentiegeschiktheid.