Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
13 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van lokaalvredebreuk. De verdachte werd direct gedagvaard zonder voorafgaand een transactievoorstel te ontvangen, wat volgens de verdediging in strijd was met het vervolgingsbeleid en de BOS/Polaris-richtlijnen.
De verdediging stelde dat het OM niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens schending van het vervolgingsbeleid, omdat het aantal sanctiepunten volgens de richtlijnen een transactie zou vereisen. Het hof oordeelde echter dat het OM een discretionaire bevoegdheid heeft om onder bijzondere omstandigheden af te wijken van deze richtlijnen, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats van de verdachte en diens proceshouding.
De Hoge Raad bevestigde dit uitgangspunt en vond de motivering van het OM toereikend en niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde het oordeel dat het OM terecht tot dagvaarding is overgegaan zonder eerst een transactie aan te bieden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd, waarbij het OM terecht zonder transactievoorstel tot dagvaarding is overgegaan.