De zaak betreft prejudiciële vragen van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant aan de Hoge Raad over de rechtmatigheid van conserverende aanslagen en revisierente opgelegd aan een belanghebbende die in 2014 naar Frankrijk emigreerde.
De vragen betreffen de toepassing van artikel 3.136, lid 2 en 3, van de Wet IB 2001, die negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij emigratie in aanmerking neemt, en de vraag of deze toepassing strijdig is met de goede verdragsverhouding tussen Nederland en Frankrijk.
De Hoge Raad oordeelt dat het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor lijfrenteaanspraken niet in strijd is met de goede trouw van het belastingverdrag, mits de premies zijn betaald in de juiste periodes, met compartimentering tussen perioden voor en na 2009.
Voor pensioenaanspraken geldt dat het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven bij emigratie niet strijdig is met het verdrag, voor zover het gaat om aanspraken en bijdragen die na 15 juli 2009 niet tot het loon zijn gerekend, waarbij eveneens compartimentering noodzakelijk is.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de toepassing van conserverende aanslagen binnen de grenzen van het belastingverdrag en benadrukt het belang van correcte toepassing van verdragsbepalingen en nationale wetgeving.