Uitspraak
1.Het verloop van het geding in feitelijke instanties en in cassatie
- de zaak met nummer 22/03945 tussen de vrouw als verzoekster tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep en de man als verweerder in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep;
- de zaak met nummer 22/03944 tussen de man als verzoeker in cassatie en verweerder in het incidentele cassatieberoep en de vrouw als verweerster in cassatie en verzoeker in het incidentele cassatieberoep.
2.Het verloop van het geding na verwijzing
- een V8-formulier d.d. 15 mei 2025 van de advocaat van de vrouw met een begeleidende brief van diezelfde datum en bijlagen 1 tot en met 3. Het hof heeft ten aanzien van deze stukken beslist dat deze worden toegelaten.
- een V8-formulier d.d. 22 mei 2025 van de advocaat van de man met een begeleidende brief en bijlage 1;
- een V8-formulier d.d. 5 juni 2025 van de advocaat van de vrouw met een begeleidende brief van diezelfde datum en bijlagen 4 tot en met 7;
- een V8-formulier d.d. 10 juni 2025 van de advocaat van de vrouw met een begeleidende brief van diezelfde datum en bijlage 8;
- twee V8-formulieren d.d. 12 juni 2025 van de advocaat van de vrouw waarin zij verzoekt om verlengde spreektijd in beide zaaknummers;
- twee V8-formulieren d.d. 12 juni 2025 van de advocaat van de man waarin hij verzoekt om de verzoeken van de advocaat van de vrouw om een verlengde spreektijd in beide zaaknummers af te wijzen;
- twee V8-formulieren d.d. 28 augustus 2025 van de advocaat van de man waarin hij het hof verzoekt om een beschikking te geven;
- twee V8-formulieren d.d. 28 augustus 2025 van de advocaat van de vrouw waarin zij verzoekt om een beschikking te geven.
3.De feiten
VERREKENING VAN PENSIOENRECHTEN
WIJZIGING HUWELIJKSE VOORWAARDEN
- goederen die deel uitmaken van het bedrijfs- of beroepsvermogen van een echtgenoot;
- aandelen in (een) besloten vennootschap(pen);
5.Beoordeling na verwijzing.
vrouwheeft bezwaar gemaakt (nr. 5.3 van haar “verweerschrift na cassatie en verwijzing”) tegen de stellingen die de man in zijn “memorie na verwijzing” in nrs. 3.9 en 3.10 heeft aangevoerd. Zij voert aan dat de betreffende stellingen van de man gelet op art. 424 Rv Pro dan wel art. 347 Rv Pro buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Het betreft de stelling dat tussen partijen bij het opmaken van de initiële huwelijkse voorwaarden helder was dat de onderneming buiten de verrekening zou blijven en dat de wijziging in 2009 tot doel heeft gehad om dit uitgangspunt vast te leggen en de stelling dat de vrouw aan de man heeft verklaard dat zij heel goed op de hoogte was van die bedoeling, maar dat haar procesfinancierder het toch de moeite waard vindt om te proberen de waarde van de onderneming te laten verrekenen.
hofis van oordeel dat de door de vrouw benoemde stellingen van de man geen nieuwe stellingen inhouden doch veeleer een precisering, nadere uitwerking zijn van al eerder in de procedure ingenomen stellingen van de man, hetgeen in de procedure na verwijzing is toegestaan. De man heeft al in de procedure vóór verwijzing door de Hoge Raad betoogd dat het de bedoeling van partijen was dat de onderneming buiten de verrekening zou blijven en dat de vrouw het daarmee eens was (vgl. randnrs 7.4. t/m 7.8 in de memorie van grieven). Van strijd met art. 424 Rv Pro en art. 347 Rv Pro is aldus geen sprake.
vrouwkan het, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, niet anders dan dat grief 5 van de man – waarover dit hof nog heeft te oordelen – faalt. Volgens de vrouw was het de bedoeling dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden zou resulteren in een gelijkwaardige verdeling van het vermogen tussen partijen. Partijen waren in 2007 in een huwelijkscrisis beland en tijdens de jaarwisseling 2007-2008 deelde de man aan de vrouw mede dat hij voor haar had gekozen en dat ten bewijze van zijn oprechte bedoelingen de huwelijkse voorwaarden uit 1997 zouden worden aangepast. Voortaan zouden partijen het vermogen van partijen 50-50 zouden delen. Zo zou de scheve eigendomsverhouding van de woning in [woonplaats vrouw] (60% eigendom van de man en 40%
mansignaleert allereerst dat de Hoge Raad geen onderscheid maakt tussen de akte wijziging huwelijksvoorwaarden d.d. 3 maart 2009 en de akte wijziging
manheeft aangevoerd dat een zakenvriend van hem was gescheiden en deze vriend tijdens zijn echtscheiding geconfronteerd werd met de werking van de huwelijkse voorwaarden en het effect daarvan op de afwikkeling hiervan. De man heeft vervolgens een bijeenkomst bijgewoond bij een bevriend notaris van deze zakenvriend.
“Het werd de man op dat moment onduidelijk hoe dit in zijn situatie zat. Hij had steeds onthouden dat de onderneming buiten de verrekening zou blijven.”(beroepschrift d.d. 17 september 2018, onder 7.4) Dat was volgens de man ook de bedoeling van de huwelijkse voorwaarden die partijen in 1997 waren overeengekomen. Nadat de man bij de bijeenkomst was geweest, heeft hij dit naar zijn zeggen met de vrouw besproken in juni/juli 2008. De man stelt expliciet dat de aanleiding voor de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in 2009 daarin lag, om duidelijk vast te leggen dat de onderneming van de man buiten de verrekening zou blijven en dat hiernaast ten aanzien van de overige bestanddelen een finale verrekening zou plaatsvinden bij echtscheiding (beroepschrift man d.d. 17 september 2018).
hofstelt vast dat nergens uit de huwelijkse voorwaarden van 1997 blijkt dat de onderneming
nietbuiten enige verrekening zou blijven. Dat partijen een periodiek verrekenbeding zijn overeengekomen en om hen moverende redenen tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan dit periodiek verrekenbeding, waardoor de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan (art. 1:141 lid 1 BW Pro), doet daar niet aan af.
zijnsituatie zat, lijkt uiterst onaannemelijk dat hij de vrouw heeft ingelicht over de voor hem nadelige gevolgen van een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding bij echtscheiding.
zijnsituatie en niet over de situatie van partijen, wat past in het beeld dat de man met name oog heeft gehad voor de op hem betrekking hebbende negatieve gevolgen van het niet uitgevoerde periodiek verrekenbeding.
zijnsituatie, is het hof van oordeel dat de man na de bijeenkomst van “team 6” waarin een notaris voorlichting gaf, wel degelijk op de hoogte was wat voor hem bij echtscheiding de gevolgen zouden zijn van het niet uitgevoerde periodiek verrekenbeding. Hij verklaart immers (voorlopig getuigenverhoor d.d. 12 oktober 2020) over het gesprek dat hij met de notaris tijdens de bijeenkomst met team 6 had:
“Ik vertelde hem dat wij nooit verrekend hadden. Hij zei toen dat het gevolg daarvan was dat we als het ware in gemeenschap van goederen waren getrouwd.”De man verklaart verder weliswaar dat hij
“(…) dit bij thuiskomst ook met [de vrouw] besproken”heeft
.Echter, in het licht van het vorenoverwogene, is niet komen vast te staan dat de man de vrouw heeft gewezen op
haarsituatie en de gevolgen die dit voor
haarzou hebben.
(“Wij, dat wil zeggen [de vrouw] en ik, hebben één gesprek met [bedrijfsadviseur] gehad.”), maar uit de verklaring van [bedrijfsadviseur] (getuigenverhoor d.d. 12 oktober 2020) blijkt dat [bedrijfsadviseur]
“… voor [de man] en zijn vennootschappen[heeft]
gewerkt (…)en
“De contacten verliepen eigenlijk altijd met [de man] . Ik heb nooit rechtstreeks contact gehad met [de vrouw] , ook niet over haar aangifte inkomstenbelasting. Dat liep via [de man] . Het gebeurde wel dat ik met [de man] sprak op het bedrijf en dat [de vrouw] tijdens de bespreking erbij kwam zitting[sic]
om een kop koffie kwam[sic]
drinken.”Op de vraag of [bedrijfsadviseur] ook betrokkenheid heeft gehad bij het huwelijk van de man, verklaart [bedrijfsadviseur] onder andere:
“Later heb ik hem naar de huwelijkse voorwaarden gevraagd, vanuit een zakelijk belang. Dit speelde ongeveer tussen 2005 en 2010.” (…)Dit wordt ook bevestigd door de man zelf, die verklaart:
“ [bedrijfsadviseur] heeft mij er op geattendeerd dat pensioenverevening in eigen beheer bij een andere relatie van hem tot grote liquiditeitsproblemen had geleid in diens onderneming en dat hij daarom ons adviseerde die bepaling uit de voorwaarden te halen.”Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat de man in ieder geval óók met zijn financieel adviseur heeft gesproken over de (zakelijke gevolgen van) de (uitwerking van de) huwelijkse voorwaarden en dat hij, in tegenstelling tot de vrouw, derhalve ook vanuit zijn zakelijke kring werd geadviseerd. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat sprake was van een kennisvoorsprong van de man ten opzichte van de vrouw.
“U vraagt mij wanneer ik de familie [de man] heb leren kennen. Dat was begin 2009. Op 7 maart 2009 zijn wij verhuisd naar [woonplaats vrouw] en kwamen wij tegenover hen te wonen.”Voor zover de man in zijn memorie na verwijzing onder verwijzing naar de verklaringen van [zelfstandig bedrijfsadviseur, tevens buurman] weerspreekt dat i) hij geen open kaart heeft gespeeld en ii) alleen hij op de hoogte was van de gang van zaken binnen de onderneming, kan dit voor wat betreft de wijziging huwelijkse voorwaarden/vaststellingsovereenkomst d.d. 3 maart 2009 geen doel treffen.
“U vraagt mij of ik meer of minder informatie had, financieel gezien, betreffende [BV] dan [de vrouw] . Ik antwoord u dat onze informatievoorziening gelijk was, ook [de vrouw] had de jaarrekeningen. Alle relevante financiële informatie staat in de jaarrekeningen, dit is ook verplicht. [BV] is controleplichtig, waardoor er een uitgebreid jaarverslag voorhanden is.”). Verder heeft hij in zijn memorie na verwijzing er op gewezen dat i) alle financiële stukken in huis lagen, ii) de vrouw wel degelijk post opende en deze ook las, iii) de jaarrekeningen en de aangifte IB werden in het bijzijn beide partijen met de accountant besproken en iv) de vrouw heeft haar handtekening gezet onder aangifte IB.
“In de jaren dat ik voor [de man] en zijn vennootschappen heb gewerkt heb ik ook de aangifte inkomstenbelasting voor [de vrouw] gedaan, ik denk voor het laatst in 2016.”Zoals reeds uit het voorgaande (zie rov. 5.14) blijkt, verliepen de contacten eigenlijk altijd via de man en heeft [bedrijfsadviseur] nooit rechtstreeks contact gehad met de vrouw, ook niet over haar aangifte inkomstenbelasting. Dat de vrouw haar handtekening onder haar aangifte IB heeft gezet, houdt dan ook niet in dat zij op de hoogte was de van de inhoud van haar eigen aangifte IB. Het illustreert
juistdat de man degene was die de financiën en administratie deed. In dat licht bezien acht het hof het ook aannemelijk dat de man degene was die de post opende en afhandelde, óók de post die aan de vrouw gericht was, daaronder begrepen post van de notaris. Zo ging het immers ook met de aangifte IB. Ook [zelfstandig bedrijfsadviseur, tevens buurman] bevestigt dit in zijn getuigenverhoor:
“U vraagt mij of bekend is wie de financiën binnen het gezin uitvoerde. Ik antwoordde dat [de man] dat deed.”Voor zover de man nog stelt dat de vrouw op geen enkele wijze aantoont dat zij
nietbetrokken was bij het indienen van de jaarrekeningen, is het hof van oordeel dat het aan de man, als ondernemer, is om inzichtelijk te maken dat de vrouw
welbetrokken was bij het indienen van de jaarrekeningen van zijn onderneming. Dit heeft hij – gelet ook op het vorenoverwogene – echter niet gedaan, zeker niet in het licht van zijn eigen stellingen dat de onderneming alleen eigendom van de man is (memorie na verwijzing, punt 3.9) en het feit dat de jaarrekeningen die zich in de processtukken bevinden enkel aan de directie – zijnde de man – van [BV] BV zijn gericht. Dat de financiële stukken over de onderneming en de conceptakten van de notaris zich in huis bevonden en de vrouw deze stukken naar zeggen van de man kon inzien, doet daar – nog los van het feit dat zij dit weerspreekt – niet aan af. Van de vrouw kan niet worden verwacht dat zij jaarrekeningen, jaarverslagen, financiële stukken over de onderneming en notariële aktes en dergelijke uit zichzelf op dezelfde wijze kan doorgronden als de man. Het hof neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking, te weten dat de vrouw op haar 15e een bijbaan in de supermarkt van de ouders van de man kreeg, op haar zeventiende een relatie met man kreeg – die acht jaar ouder is dan de vrouw –, zij gezakt is voor de havo, waarna zij fulltime is gaan werken in de supermarkt van de ouders van de man, zij op haar achttiende met de man is gaan samenwonen en gestopt is met werken in de supermarkt nadat partijen drie kinderen hadden gekregen en toen voor het huishouden en de kinderen is gaan zorgen. Dit, terwijl de man de onderneming van zijn ouders heeft overgenomen en, in tegenstelling tot de vrouw, wél financieel onderlegd is en een netwerk om zich heeft met de benodigde kennis van zaken, daaronder begrepen een notaris (bijeenkomst team 6). Dat de vrouw heeft verklaard dat zij op de hoogte was van het bestaan van een terugkoopovereenkomst doet daar niet aan af en kan dan ook niet tot het oordeel leiden dat de vrouw op de hoogte was van de gang van zaken binnen de onderneming en daarmee van de omvang van de (financiële) gevolgen van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden en de daarmee samenhangende vaststellingsovereenkomst.
“Toen heb ik voorgesteld dit verrekenbeding eruit te halen, en daar was [de vrouw] het mee eens. Als je ieder jaar moet verrekenen lijkt het net alsof je iedere keer van elkaar af wilt. Als het goed gaat, dan doe je dat niet”onderstreept naar het oordeel van het hof dat hij de nadelige gevolgen voor de vrouw onderbelicht heeft gelaten en het deed voorkomen dat de wijziging was ingegeven vanuit liefdevolle bedoelingen. De man verklaart in het getuigenverhoor
“Mr. Plieger vraagt mij of wij destijds hebben afgesproken door te gaan op basis van financiële gelijkwaardigheid. Het antwoord daarop is nee, want er is altijd vast blijven staan dat de bedrijven van mij zouden blijven, dus dat is geen gelijkwaardigheid. Wel is afgesproken dat de privé vermogensbestanddelen 50/50 gesplitst zouden worden. Hiermee bedoel ik alles behalve de onderneming.”Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg (proces-verbaal mondelinge behandeling d.d. 15 mei 2018, p. 6) heeft de man verklaard:
“Mijn intentie was dat de aandelen van de holding buiten de gemeenschap vielen en de rest zou 50-50 verdeeld worden.”In de memorie na verwijzing (5.30) voert de man aan:
“De vrouw stelt dat zij dacht dat zij huwelijksvoorwaarden maakten om een meer gelijke verdeling te krijgen. Dat is juist met uitzondering van de onderneming.”De aandelen van de holding/ de onderneming viel(en) op grond van de huwelijkse voorwaarden uit 1997 echter reeds buiten iedere gemeenschap. De ondernemingen waren reeds uitsluitend van de man. In zoverre veranderde er dus niets ten opzichte van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden en is het alleszins aannemelijk dat de vrouw door toedoen van de man in de veronderstelling verkeerde dat zijn initiatief tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden was ingegeven door
“50/50”of wel: gelijkwaardigheid. De scheve eigendomsverhouding van de woning in [woonplaats vrouw] (60/40) werd rechtgetrokken en de vordering die de man op de vrouw had van
fl.100.000,-- ter zake de aanbreng in de beperkte gemeenschap van de woning in [woonplaats vrouw] , kwam te vervallen. Dát is wat de vrouw wist. De man heeft weliswaar nog aangevoerd (memorie na verwijzing 3.25) dat de vrouw miskent dat óók de bepalingen over de kosten van de huishouding zijn aangepast ten voordele van de vrouw, maar – wat daar ook van zij – deze voordelen voor de vrouw wegen geenszins op tegen de nadelen en zijn in dat licht bezien slechts “kruimelwerk”.
“WIJZIGING HUWELIJKSE VOORWAARDEN”dat
“de jaarlijkse verrekening niet door hen wordt toegepast en dat zij de gevolgen daarvan niet kunnen overzien casu quo gewenst achten.”Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, moet het er voor worden gehouden dat de vrouw de gevolgen van het niet periodiek verrekenen niet heeft kunnen overzien en de man de gevolgen niet wenselijk achtte. Uit niets blijkt dat de man de vrouw heeft gewaarschuwd voor de
negatievegevolgen die de wijzigingsakte/vaststellingsovereenkomst voor haar zou hebben en dat deze negatieve gevolgen voor haar vele malen groter waren dat de voordelen die haar werden voorgehouden. Dit had van de man, zowel als contractspartij als huwelijkspartner, gezien de tussen echtgenoten geldende redelijkheid en billijkheid en de tussen hen geldende zorgplicht, wel mogen worden verwacht. In plaats daarvan heeft de man haar in de waan gelaten dat zij aanspraak zou krijgen op de helft van het huwelijkse vermogen en haar bewust onwetend gelaten over de rechten die zij zou prijsgeven. De man betwist weliswaar dat de vrouw benadeeld werd, maar dit nadeel staat in rechte vast (zie HR rov. 3.4).
“Ik weet niet meer hoeveel besprekingen ik met [specialist] heb gehad. Deze besprekingen deed ik zelf, daar was [de vrouw] niet bij.”De betreffende notaris ( [notaris 1] ), die de wijzigingsakte heeft opgesteld is evenals de man lid van [organisatie] en vandaar uit kennen zij elkaar (getuigenverhoor [notaris 1] :
“ [de man] en ik zijn beide lid van [organisatie] , zo ken ik [de man] .”) De vrouw verkeerde in de veronderstelling dat zij naar de notaris gingen om hun testament aan te passen. Dit strookt ook met het beeld dat juist aan de aanpassing van de testamenten bij de notaris veel tijd is besteed (getuigenverhoor [notaris 1] :
“Specifiek ging het over één onderdeel van de huwelijkse voorwaarden en dus hebben we ook veel tijd besteedt[sic]
aan het testament, dit is een lastige materie.”). De man heeft verklaard dat de wijziging huwelijkse voorwaarden in 2016 was ingegeven ter beperking van een nadeel van de vrouw in geval van overlijden. De wijziging in 2016 beperkt zich echter
niettot de situatie van overlijden en ziet (óók) op de situatie van echtscheiding, in welk geval deze wijziging voor de vrouw zéér nadelig uitpakt, aangezien zij bij echtscheiding moet meedelen in het negatieve te verrekenen (privé)vermogen van de man. Gelet hierop, alsook gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden met betrekking tot de wijziging in 2009, die óók in 2016 onverkort van toepassing waren (het feit dat de man verstand had van financiële zaken en de vrouw niet, het feit dat de man degene was die de post en financiën deed etc.) mocht de man er óók in 2016 niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de vrouw de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij in 2016 instemde, laat staan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeiden. In dat verband acht het hof ook nog van belang dat notaris [notaris 1] ook heeft verklaard dat
“Het was ter beperking van een mogelijk nadeel van [de vrouw] , dus het was in haar voordeel.”