Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
19 september 2017.
Hoge Raad
Verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor diefstal van een Nokia-telefoon en circa 350 euro aan muntgeld uit de woning van een derde in Nijmegen in de periode van 28 september tot 4 oktober 2013. Het bewijs bestond onder meer uit verklaringen van getuigen, aangifteprocessen-verbaal, fotoconfrontaties en de waarneming van het hof dat een tatoeage van verdachte overeenkwam met die op foto’s.
Verdachte gaf ter terechtzitting een verklaring die het hof als kennelijk leugenachtig beoordeelde en gebruikte deze verklaring als bewijsmiddel. Verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte deze kennelijk leugenachtige verklaring tot bewijs had gemaakt. De Hoge Raad oordeelde echter dat ook zonder deze verklaring de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De zaak werd niet vernietigd en niet terugverwezen, omdat het middel onvoldoende grond bood. Het arrest werd vastgesteld op 29 augustus 2017 en uitgesproken op 19 september 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.