Conclusie
1.Nadere conclusie
2.Het cassatieberoep
3.Waarover het in deze zaak gaat
4.Samenvatting van de bewijsvoering van het hof
Samenvatting van de conclusies van het hof
Opzettelijk en met voorbedachten rade
Conclusie ten aanzien van de primair ten laste gelegde moord
5.Het eerste middel
Gelijkende verfdeeltjes
Gelijkende verfdeeltjes
geen enkele bewijswaardeaan deze overeenkomst kan worden gegeven nu er teveel informatie ontbreekt over de verf en onbekend is wat het ‘moordwapen’ is geweest.
Fourier-Transform Infraroodspectometrie, AG] en dat de samenstelling van deze deeltjes op basis van FTIR analyse overeenkomen met de deeltjes blauwe verf die in/op het slachtoffer zijn aangetroffen. Nadere analyse van de drie verfdeeltjes uit het huiddeel van letsel C (AAJL6680NL) met LA-ICPMS wijst uit dat er twee verschillende, maar veel op elkaar lijkende soorten blauwe verf zijn. In letsel C is één deeltje verf aangetroffen met een laagopbouw van blauw-zwart-wit-wit-wit-blauw. Niet alle deeltjes uit letsel C hebben deze volledige laagopbouw van zes lagen. Op basis van kleine kleurverschillen, oppervlakte, structuur en sporenelementsamenstelling, lijkt de eerst genoemde blauwe verf (gehecht aan zwart) net anders te zijn dan de laatst genoemde (gehecht aan wit). De onderzochte deeltjes verf uit de Mercedes zijn beide blauw zonder verdere laagopbouw. De sporenelementsamenstelling van de blauwe laag, die gehecht zit aan de zwarte laag, wijkt op enkele elementen af. Het FTIR spectrum van beide blauwe verven (blauw op zwart en enkel blauw) komt overeen. Beide verven bestaan uit een alkydhars als bindmiddel met calciumcarbonaat, titaandioxide en een onbekende component. De sporenelementsamenstelling van de deeltjes blauwe verf uit de Mercedes komt redelijk overeen met die van de deeltjes met alleen een blauwe laag uit letsel C. Er is wat variatie zichtbaar tussen de verschillende deeltjes verf, maar deze is niet erg groot. Mogelijk is dit normale variatie binnen de verf op één voorwerp. Echter, deze waarnemingen kunnen ook worden verklaard met twee verschillende voorwerpen, die blauw geschilderd zijn vanuit dezelfde pot (of vanuit twee potten, die uit dezelfde productiebatch komen). Het is in dit onderzoek lastig om een goede inschatting te maken van de in het spoor te verwachten variatie. Normaliter worden van een referentie (voorwerp) op diverse plaatsen monsters genomen om tot deze inschatting te komen. Dat is hier niet mogelijk. De bewijskracht van deze overeenkomst in sporenelementsamenstelling tussen de blauwe deeltjes uit de Mercedes en de deeltjes met een enkele laag blauw uit letsel C, is daarom moeilijk in te schatten. De deeltjes verf uit de Mercedes betreffen een soortgelijke verf als de deeltjes blauw zonder laagopbouw uit letsel C. Wat dit precies betekent qua bewijswaarde is enerzijds afhankelijk van de zeldzaamheid van de blauwe verf en anderzijds van hoeveel deze specifieke blauwe verf in de omgeving van het slachtoffer en de verdachte voorkomt. De blauwe verf uit de Mercedes kan dezelfde bron van herkomst hebben als de blauwe verf zonder laagopbouw, maar een andere bron van herkomst is niet uit te sluiten.
Overwegingen hof over de bewijswaarde
geen enkelebewijswaarde hebben. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
6.Het tweede middel
nemo tenetur-beginsel heeft de Hoge Raad hieraan in zijn rechtspraak wel een aantal voorwaarden verbonden. In de eerste plaats moet de kennelijke leugenachtigheid gegrond zijn op andere door de feitenrechter gebezigde bewijsmiddelen dan de verklaring(en) van de verdachte zelf of verklaringen van getuigen die zijn terug te voeren op hetgeen de verdachte heeft verteld. [23] Verder kan de omstandigheid dat de verdachte heeft geweigerd omtrent een bepaald punt een verklaring te geven, niet mede ten grondslag worden gelegd aan het oordeel dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen. [24] Hoewel het de inzichtelijkheid van de bewijsvoering ten goede komt als de feitenrechter bij zijn oordeel omtrent de kennelijke leugenachtigheid van de verklaring aangeeft welk(e) specifieke bewijsmiddel(en) aan dat oordeel ten grondslag ligt (of liggen), is dat geen voorwaarde om een kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs te kunnen gebruiken. [25]
kanzijn voor de kennelijke leugenachtigheid van de verklaring van de verdachte dat zij geen lijk heeft gezien, maar dat de benodigde nadere motivering in dat geval ontbrak, om daaraan de conclusie te kunnen verbinden dat de verdachte daarmee haar daderschap ten aanzien van de doodslag heeft willen bemantelen.
De verklaring over de autorit omstreeks 22:00 uur
Beoordeling van verklaringen van verdachte
De verklaring met betrekking tot de terugweg vanaf de kruising Bûterwei/Fogelsang
nietkunnen vaststellen onderbouwd met andere niet vast te stellen bronnen in combinatie met een verklaring die enkel duidelijkheid geeft over de route zelf, maar niet over tijdstippen.
Terugrit in de nacht
Verklaring verdachte over de terugweg vanaf de Bûterwei naar huis
De verklaring over het belgedrag van de verdachte tijdens de zoektocht naar het slachtoffer
Verklaring verdachte over zoektocht naar het slachtoffer
NJ2012/466. De verklaring staat volgens de steller van het middel volledig op zichzelf, terwijl in ieder geval vaststaat dat tijdens de zoektocht regelmatig met de telefoon van die schoonvader naar de telefoon van het slachtoffer is uitgebeld. In dat verband wordt gewezen op hetgeen onder het hoofd ‘Zoektocht met [benadeelde 1] ’ in de pleitnota is opgenomen, inhoudend (met weglating van voetnoten):
7.Het derde middel
Onderzoek aan de telefoon verdachte
- De telefoon van de verdachte bevindt zich om 00:22:11 uur ter hoogte van de [b-straat] . De geregistreerde locatie is tot op 18 meter nauwkeurig.
- Om 00:24:53 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de kruising van de [b-straat] en de [a-straat] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
- Om 00:27:24 uur bevindt het toestel zich op de [e-straat] tussen [plaats] en Zwaagwesteinde, ter hoogte van [e-straat] 237, [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
- Om 00:29:24 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de Roazeloane, Zwaagwesteinde. De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
- Om 00:31:59 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de Bûterwei, De Westereen. De geregistreerde locatie is tot op 10 meter nauwkeurig.
- Om 00:45:33 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de kruising van de Bûterwei en Fogelsang, De Westereen. De geregistreerde locatie is tot op 5 meter nauwkeurig.
- Om 01:10:03 uur bevindt het toestel zich ter hoogte van de [b-straat] , [plaats] . De geregistreerde locatie is tot op 43 meter nauwkeurig.
- […]
- Verbalisant [verbalisant 2] heeft bij het onderzoek aan de telefoon van de verdachte gezien dat tussen omstreeks 00:24:09 en 01:12:51 uur de telefoon van de verdachte geen stappen en afstand heef geregistreerd. Voor en na deze tijdstippen is er wél (weer) activiteit geregistreerd. Meer specifiek volgt uit het onderzoek van verbalisant [verbalisant 3] dat er om 00:21:41 tot 00:24:09 uur stappen worden geregistreerd op de telefoon van de verdachte (35 stappen en een afstand van 22,65 meter), dat daarna een periode niets wordt geregistreerd en dat om 01:12:51 uur tot 01:19:24 uur weer stappen worden geregistreerd (18 stappen en een afstand van 12,82 meter).
- Verbalisant [verbalisant 2] beschrijft dat in de telefoon van de verdachte in het bestand shutdown.log, waarin de tijden worden bijgehouden waarop het systeem van een telefoon uitgaat, een logbericht te zien is van 9 juli 2017 00:46:30. Rond dit tijdstip is de telefoon uitgeschakeld. Verder is aan de hand van de logberichten (in de bestanden mobileactivationd.log en IMDPersistenceMerge.log) te zien dat de telefoon op 9 juli 2017 rond 01:09:47 uur is opgestart en rond 01:10:00 uur voor het eerst door de gebruiker werd ontgrendeld. In het bestand revisiond.log is tevens te zien dat de telefoon van de verdachte op 8 juli 2017 om 19:36:44 uit de energiebesparende modus van de telefoon gaat (de throttled mode).
- Telecomdeskundige Pluijmers van het NFO heeft op de zitting in eerste aanleg aangegeven dat hij in zijn aanvullende rapportage het scenario heeft onderzocht dat een lege batterij de oorzaak was van het uitschakelen van de telefoon van de verdachte om 00:46 uur. Hierover heeft Pluijmers verklaard op de zitting van de rechtbank: “Een aantal zaken spreken dat scenario tegen. De batterijgegevens waren alleen beschikbaar van de laatste vijf dagen, dus van een periode in december 2017. Ik heb bekeken hoe de batterijspanning afneemt en dit gebeurt vrij lineair. In het batterij log van de telefoon heb ik gezien dat de accu van deze telefoon niet zo slecht was. In het log is aangegeven dat de ladingscapaciteit 89% was van de originele ladingscapaciteit. Bovendien is het vreemd dat om 00.46 uur een aantal logregels zijn aangemaakt in het bestand shutdown.log. Dat past niet bij het uitschakelen door een lege accu. Als de telefoon plotseling uitschakelt, is er namelijk geen energie meer om die logregels aan te maken. Verder heb ik gezien dat er een aantal processen netjes afgesloten zijn volgens de logs. Dit alles pleit tegen het plotseling uitvallen van de accu.” De bevindingen van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte door Pluijmers zijn waarschijnlijker onder het scenario dat de telefoon is uitgeschakeld dan onder het scenario dat deze is uitgevallen door een lege accu.
- Onderzoek van de politie leert dat het toestel van de verdachte geen informatie bevat met betrekking tot crashes van het besturingssysteem van Apple (iOS) of van de applicaties die destijds op het toestel geïnstalleerd waren, waaronder WhatsApp. In zijn onderzoek is Pluijmers eveneens geen andere oorzaken tegengekomen voor het uitschakelen van de telefoon. Hij is niets tegengekomen wat erop duidt dat de telefoon van de verdachte abnormaal heeft gereageerd.
- Het hof stelt vast dat het door het NFIR in hoger beroep verrichte onderzoek de voorgaande bevindingen en conclusies van de politie en Pluijmers niet ondergraven. Het NFIR heeft, aldus het hof, ten aanzien van het uitschakelen van de telefoon van de verdachte om 00:46 uur slechts een aantal algemene mogelijkheden genoemd waardoor de telefoon van de verdachte plotseling zou kunnen zijn uitgevallen. Zowel door de politie als door Pluijmers is concreet onderzoek verricht waarbij ook aandacht heeft bestaan voor het leeuwendeel van door het NFIR genoemde kwesties. Door de politie is naar aanleiding van het gestelde voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling bij het hof nog uitleg gegeven over een aantal door het NFIR gesignaleerde punten. Het onderzoek van de politie en deskundige Pluijmers acht het hof volledig, de conclusies van het onderzoek zijn navolgbaar. Hetgeen het NFIR stelt doet niet af aan de constatering van de politie en Pluijmers dat de bevindingen in de telefoon van de verdachte - meer specifiek de door de telefoon aangemaakte logregels - minder waarschijnlijk zijn indien de telefoon is uitgevallen. Het aanmaken van logregels vlak voordat de telefoon uit gaat, past immers meer bij het uitschakelen van een telefoon dan bij het plotseling uitvallen van een telefoon. Bij het plotseling uitvallen van een telefoon is het niet de verwachting dat vlak voor het uitschakelen logregels worden aangemaakt, nu de telefoon daarvoor door een lege accu geen energie meer heeft.
- Conclusie hof
- Het hof constateert dat de bovenstaande onderzoeksresultaten met betrekking tot de stappenteller in overeenstemming zijn met de verklaring van de verdachte dat zij in de nacht aan de Bûterwei haar telefoon in de Mercedes achterliet toen zij de auto verliet. Het hof gaat er op basis van het bovenstaande onderzoek – anders dan de verdachte verklaart – vanuit dat de telefoon niet is uitgevallen ten gevolge van een lege batterij, maar dat de verdachte haar telefoon heeft uitgeschakeld bij haar vertrek vanaf de Bûterwei rond 00:46:30 uur.”
nietkan worden vastgesteld dat de verdachte die telefoon zelf heeft uitgeschakeld. Daarbij is door de verdediging verwezen naar de inhoud van het NFIR-rapport waaruit blijkt dat de recherche geen technisch onderzoek heeft verricht aan de telefoon. Daarover heeft het NFIR opgemerkt dat zonder de staat van het toestel te kennen, een technisch probleem als alternatieve oorzaak niet kan worden uitgesloten. Gelet op dit gevoerde verweer heeft het hof onbegrijpelijk dan wel op ontoereikende gronden vastgesteld dat de verdachte haar telefoon zelf heeft uitgezet, aldus de steller van het middel.
concreetonderzoek is verricht. Bij dat onderzoek is ook aandacht geweest voor het ‘leeuwendeel’ van de door het NFIR eveneens genoemde kwesties. Daar komt bij dat door de politie naar aanleiding van hetgeen door de verdediging is gesteld voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling nog uitleg is gegeven over de door het NFIR gesignaleerde punten en dat het hof het onderzoek van de politie en deskundige Pluijmers volledig en de conclusies van het onderzoek navolgbaar heeft geacht. Het hof heeft tot slot geoordeeld dat het aanmaken van logregels, vlak voordat de telefoon uit gaat, meer past bij het uitschakelen van een telefoon dan bij het plotseling uitvallen van een telefoon. Wanneer de telefoon plotseling zou zijn uitgevallen is de verwachting dat vlak voor het uitschakelen geen logregels meer worden aangemaakt omdat de telefoon daarvoor door een lege accu geen energie meer heeft. In die overweging van het hof ligt mijns inziens besloten dat het aanmaken van de logregels zich, gelet op de verklaringen van de deskundigen, lastig laat verenigen met het scenario van het plotseling uitvallen van de telefoon, ongeacht of dat door een lege accu of een mogelijke andere technische oorzaak gebeurt. Door te wijzen op een ‘mogelijke andere technische oorzaak’ heeft het hof ervan blijk gegeven te hebben onderkend andere mogelijkheden voor het uitschakelen van de telefoon bij zijn overwegingen te hebben betrokken.
van de verdachte, AG] te zien of er op vrijdag 7 juli 2017 een crash heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het uitvoeren van een systeemupdate? Is er ook te zien of dit problemen heeft veroorzaakt bij de applicatie WhatsApp, destijds geïnstalleerd op het toestel”. Door de betreffende verbalisant is het toestel vervolgens onderzocht en is geverbaliseerd dat er geen informatie op het toestel stond met betrekking tot uitgevoerde iOS systeemupdates. Ook was er geen informatie met betrekking tot crashes van iOS of een applicatie destijds geïnstalleerd op het toestel, waaronder Whatsapp. Door de verbalisant is hierna onderzocht welke updates er in de periode omstreeks 7 juli 2017 van het besturingssysteem iOS zijn uitgebracht voor het betreffende toestel (iPhone 6S); de laatste update voor 7 juli 2017 is uitgebracht op 15 mei 2017 en dit betrof de versie met nummer 10.3.2. Deze laatste versie was ten tijde van het bewezenverklaarde op de telefoon van de verdachte geïnstalleerd. Het hof heeft met de verwijzing naar deze bevindingen kennelijk ook bedoeld weer te geven dat er geen andere oorzaken op het toestel zijn aangetroffen dan dat de verdachte het toestel zelf heeft uitgeschakeld, ook niet door technische oorzaken naar aanleiding van de toen laatst geïnstalleerde update van het iOS besturingssysteem van de telefoon, dan wel van applicaties die toen op de telefoon stonden. Dat oordeel acht ik zoals hiervoor weergegeven niet onbegrijpelijk. Dat het onderzoek zich heeft toegespitst op 7 juli 2017 doet daar niet aan af. Er is door de verbalisant gekeken naar een periode
omstreeks7 juli 2017 – dus kort voorafgaand aan de bewuste nacht – waarbij de toen laatstelijk uitgebrachte update op de telefoon van de verdachte is aangetroffen en is geconstateerd dat dit geen aanleiding is geweest voor een crash van de telefoon.
8.Het vijfde middel
directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het tenlastegelegde’, althans dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is, omdat de confrontatie van de benadeelde partijen met het slachtoffer geen onverhoeds karakter heeft gehad.
3.1 Shockschade
ze moesten het lichaam van [slachtoffer] met eigen ogen zien”. Volgens de steller van het middel heeft het hof miskend dat het daarom niet gaat om een confrontatie met een onverhoeds karakter en zelfs om een confrontatie die niet noodzakelijk en vermijdbaar was.
Taxibusen
Viltrelevant. [37] De stelling dat in ieder geval zou zijn vereist dat de geschrokkene direct moet zijn geconfronteerd door aanwezigheid bij de verweten gedraging of schadeveroorzakende gebeurtenis (‘het ongeval’) is in het
Taxibus-arrest door de Hoge Raad verworpen:
Marengoproces, die om het leven was gebracht. Het hof Amsterdam had overwogen dat de confrontatie met de ernstige gevolgen ‘meteen na het misdrijf’ moet plaatsvinden en dat ten aanzien van de benadeelde partij NN7 (de echtgenote van het slachtoffer) niet vaststond dat sprake was van een ‘(onverhoedse) waarneming’. [40] Voor zover relevant met het oog op uitleg van de confrontatie-eis had het hof overwogen:
Taxibus-arrest, inhoudende dat het temporele verband tussen de gebeurtenis die tot de dood of verwonding heeft de geleid en de confrontatie met de ernstige gevolgen ervan niet altijd cruciaal is. Aben concludeerde evenwel dat de klacht faalt omdat in het onderhavige geval het oordeel van het hof toereikend was gemotiveerd. Volgens Aben ligt het minder in de rede dat de confrontatie met de gevolgen een hevige schok heeft teweeggebracht wanneer de naaste van het slachtoffer ten tijde van de confrontatie reeds op de hoogte was van de gebeurtenis en van de ernstige gevolgen ervan.
waargenomen, [44] wordt de confrontatie voldoende rechtstreeks geacht;
kort daarna op de plaats van de gebeurtenis met gevolgen ervan is geconfronteerd;
- iii) oordelen van feitenrechters lopen nogal uiteen in gevallen waarin de gebeurtenis door de geschrokkene niet is waargenomen en deze ook niet kort erna op de plaats van de gebeurtenis met de gevolgen ervan is geconfronteerd. Binnen deze categorie van gevallen hebben wij in de onderzochte feitenrechtspraak geen eenduidige omstandigheden of gevaltypen kunnen onderscheiden die de rechter tot het al dan niet aannemen van een voldoende rechtstreekse confrontatie brengen;
- iv) soms lijkt de rechter te aarzelen over de juiste toepassing van het confrontatiecriterium en oordeelt hij om die reden tot niet-ontvankelijkheid;
- v) soms blijkt uit de motivering niet op welke wijze de confrontatie heeft plaatsgevonden of waarom deze voldoende rechtstreeks was.
condicio sine qua non-verband met de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis is er immers onmiskenbaar en de aard van de aansprakelijkheid en van de schade bieden geen aanknopingspunten om toerekening te beperken, integendeel.
condicio sine qua non-verband met het misdrijf zodat genoegzaam vaststaat dat de pleger van het misdrijf deze schade heeft veroorzaakt. Daarvan is naar mijn mening in onderhavige zaak zonder twijfel sprake. In zoverre kan dan ook niet worden gesteld dat het hof bij de toepassing van het confrontatiecriterium is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
9.Middel van de benadeelde partijen
billijkheid. Het is niet toevallig dat daar niet ‘
redelijkheiden billijkheid’ staat, omdat ander nadeel dan vermogensschade zich in de kern niet naar rationele maatstaven in geld laat uitdrukken en een juist bedrag zich dus niet aan de hand van redelijkheid met argumenten dwingend laat motiveren. [57] Vaststelling ‘naar billijkheid’ betekent volgens de parlementaire geschiedenis dat de rechter, vanwege de dubbele functie van smartengeld – genoegdoening en compensatie – rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval. [58]
Overzichtsarrest: [64]
NJ2012/520, waarin hij schrijft dat door een niet-ontvankelijkverklaring de weg naar de burgerlijke rechter voor het slachtoffer niet wordt afgesneden. [77] Aangezien door de benadeelde partijen hierover niet specifiek wordt geklaagd, laat ik dat punt hier verder rusten.