Conclusie
eerste middelricht zich tegen de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit als witwassen in de zin van art. 420bis Sr. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof niet deze strafbepaling maar de systematische specialis daarvan – te weten art. 10:1 (vierde lid) Algemene douanewet (hierna Adw) – had moeten toepassen, hetgeen, aldus het middel, te meer klemt omdat het laatstgenoemde wetsartikel een lager strafmaximum kent en dus een voor de verdachte gunstiger strafbepaling is.
NJ1998/73. [1] Dat neemt evenwel niet weg dat het ontbreken van verweer in feitelijke aanleg de slagingskansen van op schending van art. 55, tweede lid, Sr toegesneden cassatiemiddelen (drastisch) doet verminderen. Ook als de rechtsvraag in de voormelde, voor de verdachte gunstiger zin moet worden beantwoord, komt een mogelijke cassatie eerst in beeld als tevens moet worden aangenomen dat het aan de bewezenverklaring ten grondslag liggende feitencomplex in de zin van art. 55, tweede lid, Sr had kunnen worden gekwalificeerd als het in de bijzondere strafbepaling strafbaar gestelde delict. Dat vergt feitenonderzoek, zo nodig buiten de tenlastelegging om. [2] In de cassatiefase is daarvoor geen plaats, zodat alleen wanneer uit de feitelijke vaststellingen van het hof moet worden afgeleid dat de bewezenverklaarde situatie ook onder de bijzondere strafbepaling valt, ruimte zou zijn voor vernietiging van het bestreden arrest. De rechtsvraag of de artikelen 10:1 Adw en 420bis Sr zich tot elkaar verhouden als een speciale tot een algemene strafbepaling, gaat aan die meer feitelijke kwestie echter vooraf. [3] Op grond daarvan meen ik dit punt hieronder te kunnen bespreken.
moetenworden opgelegd indien wordt nagelaten aangifte te doen, brengt immers nog niet mee dat voor andere gevallen en voor andere delicten geen sancties zouden
mogenvolgen. Bovendien biedt de wordingsgeschiedenis van de Verordening geen steun voor de opvatting dat zou zijn beoogd bij overtreding van de aangifteplicht sanctionering wegens witwassen uit te sluiten. Daarbij zij nog het volgende aangetekend. Een met de huidige overweging 13 van de preambule vergelijkbare passage was reeds opgenomen in het oorspronkelijke Commissievoorstel dat aan de uiteindelijke verordening ten grondslag heeft gelegen: [6]
voorzietin sancties op het niet-naleven van de aangifteplicht. [7] Aldus werd aanvankelijk in zoveel woorden verduidelijkt dat de Verordening zich wil onthouden van het geven van een grondslag of verplichting voor het voorzien in sancties wegens aan het licht gebrachte witwaspraktijken. Maar daaruit volgt zeker niet dat de Verordening tevens restricties of indammende barrières wilde aanbrengen aan de mogelijkheid tot
opleggingvan reeds in het nationale recht op andere gronden voorziene sancties. Integendeel, zoals het eertijds in het voorstel van de Commissie opgenomen art. 5, eerste lid, nog expliciet liet weten, is die mogelijkheid onverkort blijven bestaan:
tweede middelklaagt dat het hof het verweer dat aan de verdachte niet tijdig de cautie is gegeven en dat bijgevolg de na aantreffen van het geldbedrag (maar vóór cautieverlening, zo begrijp ik) door de verdachte afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.
“De bewijsmiddelen
, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
[betrokkene 1]:
Bewijsoverweging
NJ1986/405, m.nt. Van Veen:
NJ2012/398, m.nt. Van Kempen. De verdachte was aangehouden wegens het voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend wapen. Tijdens zijn transport naar het politiebureau verklaarde de verdachte uit eigen beweging dat hij “iets heel ergs had gedaan.” De daaropvolgende vraag van de verbalisant “wat hij dan had gedaan”, hoefde het hof niet als een verhoorvraag te beschouwen; het daarop door de verdachte gegeven antwoord kon voor het bewijs worden gebruikt. Met de hiervoor aangegeven precisering van het begrip verhoor wil echter niet gezegd zijn dat een cautieverzuim louter gevolgen heeft voor de bruikbaarheid van verklaringen die de verdachte aflegt over het feit waarvan hij (reeds) wordt verdacht. Het wezenskenmerk van het verhoor wordt immers gevormd door de
vraagstelling(in de hier bedoelde zin) van de opsporingsambtenaar
.Dat in de
antwoordenvan de verdachte een ander strafbaar feit opdoemt, doet aan het verhoorkarakter van de ondervraging niet af, zo blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 november 1999 ECLI:NL:HR:1999:ZD1652,
NJ2000/40. [19] Nadat de verdachte bij een eerste aanhoudingspoging was doorgereden, werd hij alsnog aangehouden wegens onverzekerd rijden. De verdachte werd geboeid en hem werd de reden van zijn aanhouding medegedeeld, waarna de verbalisant hem vroeg waarom hij was doorgereden. De verdachte antwoordde: “er ligt twee kilo speed in mijn auto.” Het oordeel van het hof dat hier sprake was van een spontane mededeling en dat op dat moment geen sprake was van een verhoor, kon niet in stand blijven. De door de opsporingsambtenaar gestelde vraag betrof de betrokkenheid van de verdachte bij een geconstateerd strafbaar feit en derhalve had de cautie voorafgaand aan die vraag moeten worden gegeven.
Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijkuit 2016 van veel betekenis voor het cautierecht binnen de Raad van Europa. Over de cautie overwoog de Grote Kamer in die zaak onder meer:
criminal charge» (HR 17 februari 1987, NJ 1987, 951, HR 23 juni 1993, BNB 1993/271; zie ook EHRM 27 februari 1980, NJ 1980, 561 (Deweer) en EHRM 15 juli 1982, Publ. ECHR Ser. A, Vol. 51 (Eckle)). Volgens het EHRM is sprake van een «
criminal charge» wanneer de overheid een officiële kennisgeving aan de betrokkene richt, inhoudende dat hij een wetsovertreding heeft begaan die «
criminal» is in de zin van het EVRM, of wanneer de overheid naar aanleiding van een dergelijke overtreding handelingen verricht die de positie van de betrokkene wezenlijk beïnvloeden. Het zwijgrecht bestaat dus niet bij iedere vraag die belastende informatie zou kunnen opleveren, maar slechts bij vragen die daarop zijn gericht.
ookzo’n handeling en
in veel gevallende eerste zodanige handeling, maar dat impliceert dat eveneens andere handelingen dan verhoorshandelingen het aanvangspunt van een “criminal charge” kunnen vormen. Daarnaast wekt de formulering van art. 5:10a, eerste lid, Awb de indruk dat het doel van de gestelde vragen of gevraagde inlichtingen beslissend is voor de vraag of het zwijgrecht en de cautie gelden. Volgens de toelichting zijn die rechten aan de orde wanneer “naar objectieve omstandigheden door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat sprake is van een «verhoor» met het oog op de oplegging van een bestuurlijke boete”. Het zwijgrecht komt de verdachte in het strafrecht daarentegen toe vanaf het moment dat hij verdachte is, ongeacht of hem iets gevraagd wordt. Ook het bestaan van een cautieplicht is niet rechtstreeks afhankelijk van het doel van de gestelde vragen. Daarvoor is alleen nodig dat de, op het afleggen van een verklaring gerichte, vragen zien op betrokkenheid bij een strafbaar feit.
uitsluitendis gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend en (ii) bij de aanwending ervan tegenover een verdachte de als zodanig aan deze toekomende waarborgen in acht worden genomen. [37] Algemeen wordt aangenomen dat onder die in acht te nemen waarborgen in elk geval het zwijgrecht valt. Corstens & Borgers stellen daarover bovendien: “Naast het zwijgrecht spelen vooral de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM Pro een rol. Het gaat dan in het bijzonder om de waarborgen die moeten voorkomen dat er ongeoorloofde druk op een persoon wordt uitgeoefend.” [38] Gelet op de uitspraak van het EHRM in
Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijkmoet, naar het mij voorkomt, het tijdig geven van de cautie als één van die in acht te nemen waarborgen worden begrepen. [39] Ook in het kader van een controle te stellen verhoorvragen dienen derhalve door de cautie te worden voorafgegaan. Een en ander uiteraard wel alleen voor zover aan de voorwaarden voor een verhoor in de zin van art. 29 Sv Pro is voldaan. Dat betekent dat de vragen-stellende toezichthouder tevens een opsporingsambtenaar moet zijn in de zin van de bepalingen van titel II van het tweede boek van het Wetboek van Strafvordering. [40]
(i) Voor zover in de genoemde overwegingen ligt besloten dat de uitoefening van controlebevoegdheden volgens het hof op zichzelf grond biedt om van cautieverlening af te zien, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien ook de uitoefening van controlebevoegdheden neer kan komen op een verhoor in de zin van art. 29 Sv Pro respectievelijk art. 5:10a Awb en naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad bij de uitoefening van controlebevoegdheden jegens de verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht moeten worden genomen;
(ii) Indien het hof heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat van een verdenking in de zin van art. 27, eerste lid, Sv na het aantreffen van de biljetten van € 500 in de agenda nog geen sprake was, acht ik dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Daarbij neem ik ten eerste in aanmerking dat het proces-verbaal niet alleen is opgemaakt ter zake van verdenking van witwassen, maar ook ter zake van overtreding van het bepaalde in art. 10:4, vierde lid, Adw, welke overtreding eveneens een (ernstig) strafbaar feit oplevert. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt moeilijk in te zien dat – zeker nadat de verdachte had verklaard met € 40.000 te reizen – nog geen redelijk vermoeden van schuld aan in elk geval overtreding van art. 10:4, vierde lid Adw zou hebben bestaan. Dat een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen eveneens op dat moment aanwezig was, is overigens kennelijk de opvatting van de opsporingsambtenaren zelf geweest. In het proces-verbaal relateren zij immers dat bij hen een redelijk vermoeden van witwassen ontstond op basis van een aantal “typologieën, aanwijzingen van het Openbaar Ministerie en feiten van algemene bekendheid.” De opsomming daarvan bestaat uit acht omstandigheden, die klaarblijkelijk alle acht al bij hen bekend waren op het moment dat het geldbedrag bij de verdachte werd aangetroffen. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat desondanks nog niet van een verdenking sprake was, wordt dat oordeel er niet begrijpelijker op in het licht van zijn nadere bewijsoverweging (zie hierna randnummer 42). Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de op het moment van aantreffen van het geldbedrag vaststaande feiten en omstandigheden wel een bewijsvermoeden van witwassen en ligt het op de weg van de verdachte om dat bewijsvermoeden te weerleggen. Dat laat zich zonder nadere motivering echter niet rijmen met de bewijsoverweging van het hof in de aanvulling verkort arrest (zoals hierboven in randnummer 19 weergegeven), waarin naar mijn inzicht besloten ligt dat diezelfde feiten en omstandigheden nog geen redelijk vermoeden van schuld opleveren; [47]
derde middelklaagt over de bewezenverklaring van het van misdrijf afkomstig zijn van het aangetroffen geldbedrag.
Bespreking verweer en bewijsoverwegingen
vierde middelklaagt dat het hof het namens de verdachte gevoerde verweer dat de redelijke termijn is overschreden ten onrechte onbesproken heeft gelaten.
NJ2012/254 was van die ondubbelzinnigheid op zichzelf wel sprake, want aangevoerd was: “Indien geen vrijspraak volgt, dan dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.” Het hof was echter niet gehouden op dit verweer te reageren, nu het aangevoerde niet inhield op welke grond de redelijke termijn was overschreden. Achterhaling van die grond was in die zaak problematisch, omdat ook uit de desbetreffende processtukken, voor zover zich dat in cassatie liet nagaan, niet naar voren kwam waarin de gestelde overschrijding van de redelijke termijn was gelegen. [65]