Belanghebbende, behorend tot een Amerikaanse concerngroep, had aandelenopties toegekend aan werknemers die in Nederland hadden gewerkt maar bij uitoefening van de opties niet meer in Nederland woonachtig waren. De vraag was of het voordeel uit deze opties in Nederland belastbaar was en of de bewijsregel toegepast moest worden.
De Rechtbank Gelderland oordeelde dat het voordeel genoten werd bij uitoefening van de opties in september 2013 en dat dit voordeel toerekenbaar was aan de arbeid die de werknemers in Nederland hadden verricht. De bewijsregel was volgens de rechtbank niet meer van toepassing omdat het verblijf in Nederland was beëindigd.
De Hoge Raad verwierp de cassatiegronden van belanghebbende, bevestigde het heffingsmoment bij uitoefening van de opties en dat de bewijsregel niet meer van toepassing was. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.