Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
Feiten (ontleend aan de uitspraak van de Rechtbank)
3.Het geding in cassatie
BNB1999/334. [3] Uit dat arrest zou volgens haar volgen dat het genietingstijdstip bij een aandelenspaarplan is gelegen op het tijdstip van aankoop van aandelen. Dan ontstaat een verplichting om aandelen te (laten) leveren. In geval van een aandelenoptieplan bestaat op het moment van onvoorwaardelijk worden geen verplichting, doch slechts een mogelijkheid dan wel bevoegdheid zich aandelen te laten leveren. Het genietingstijdstip van loon in de vorm van een (onvoorwaardelijk) optierecht is dan het moment van onvoorwaardelijk worden (vesting) van de aandelenoptie.
BNB2012/232 geen doel treft, [4] aangezien in dat arrest de toerekening van inkomsten niet in geschil was.
4.Het eerste middel
Voor de aanvullende heffing wordt rekening gehouden met de eventueel eerder in de belastingheffing betrokken waarde van het aandelenoptierecht op een eerder genietingsmoment,met dien verstande dat de aanvullende heffing niet kan leiden tot een teruggave van belasting geheven naar aanleiding van het toekennen van het aandelenoptierecht.
verminderd met de op een eventueel eerder genietingstijdstip in verband met het overeenkomen van het aandelenoptierecht in aanmerking genomen waarde van dat optierecht.(…). Indien inhouding van loonbelasting ingevolge de aanvullende heffing plaatsvindt, wordt bij de bepaling van het alsdan genoten voordeel
rekening gehouden met de waarde van het aandelenoptierecht die bij de eventuele eerdere genieting van het aandelenoptierecht in aanmerking is genomen(…).
Als sprake is van een voorwaardelijke optie, dan is het moment van onvoorwaardelijk worden een genietingsmoment.
op het eerst mogelijke genietingstijdstip waarop de opties zouden kunnen worden genoten. Dat is dus het genietingstijdstip indien niet gekozen wordt voor uitstel van heffing. Dat genietingstijdstip is voor onvoorwaardelijke opties het moment van toekenning en voor voorwaardelijke opties het moment van onvoorwaardelijk worden.
BNB1999/334 overwoog de Hoge Raad: [15]
Fiscale Encyclopedie De Vakstudieis het volgende geschreven over het genietingstijdstip van aandelenoptierechten: [24]
BNB1999/334 heeft de Rechtbank slechts tot uitdrukking gebracht welke civiel-juridische verplichtingen (tot leveren en laten leveren van de onderliggende aandelen) zijn ontstaan bij uitoefening van de opties. Niet heeft zij daarmee belanghebbendes aandelenoptieplan aangeduid als aandelenspaarplan.
5.Het tweede middel
Het fiscale loonbegrip ex artikel 10 Wet Pro LB 1964: toereikende causaliteit
(conditio sine qua non)is voor het verkrijgen van een bepaalde bate.
toereikendecausaliteit te kunnen spreken, wordt algemeen aangenomen dat als beslissend criterium de leer van de redelijke toerekening geldt. Deze leer vat loon op als alle voordelen die, rekening houdende met de maatschappelijke opvattingen, geacht kunnen worden zakelijk aan de dienstbetrekking te worden toegerekend, met uitschakeling derhalve van wat tot de persoonlijke sfeer van de werknemer behoort. [42]
BNB2012/232 [43] had de Amerikaanse nationaliteit. In 2006 was hij buitenlands belastingplichtig. Daarvóór had hij in de periode 2002-2005 in Nederland in dienstbetrekking gewerkt, ter zake waarvan hij recht gehad op toepassing van de 30%-regeling. Na beëindiging van de dienstbetrekking, was hij teruggekeerd naar de Verenigde Staten. Tijdens de dienstbetrekking waren belanghebbende voorwaardelijke aandelenopties toegekend. Deze waren na 31 december 2005 onvoorwaardelijk geworden, en in 2006 had belanghebbende daaruit een voordeel genoten. In geschil was de toepassing van de 30%-regeling op dat voordeel. De Hoge Raad overwoog:
6.Het derde middel
Regelgeving
BNB2009/204 overwoog de Hoge Raad dat voor de ingang van looptijd van de bewijsregel beslissend is de datum van feitelijke tewerkstelling: [60]
BNB2012/233 [62] overwoog de Hoge Raad onder verwijzing naar het in onderdeel 5.4 van deze conclusie opgenomen arrest HR
BNB2012/232:
Vakstudie Nieuwstekende onder andere het volgende aan bij de wijziging van artikel 10ec, lid 1, UB LB 1965 per 1 januari 2013: [64]
BNB2012/232:
in Nederlanddoor de inhoudingsplichtige is geëindigd. [78]
in Nederland. [79]
in Nederlanddoor de inhoudingsplichtige, en niet slechts – zoals belanghebbende voorstaat – bij de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige als zodanig.
in Nederland. [82]
BNB2009/204 volgt dat met ‘tewerkstelling’ wordt bedoeld: feitelijke tewerkstelling op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. [83]
BNB2012/232 [84] mijns inziens in casu toepassing mist vanwege de in artikel 10ec, lid 1, UB LB 1965 aangebrachte geografische beperking. Toerekening van de optievoordelen aan de periode dat de werknemers nog in Nederland werkten, zou bovendien tot ongerijmd gevolg kunnen hebben dat buiten de looptijd genoten voordelen alsnog door de 30%-regeling worden bestreken. [85]