Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
mr. R.L. Bakels.
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De Accountantskamer heeft in zijn beslissing van 21 december 2012 geoordeeld dat aan [verweerder 2] kan worden verweten dat hij op geen enkel moment in het traject aanleiding heeft gezien vraagtekens te plaatsen bij de handelwijze van [betrokkene 1] , en dat hij zich onvoldoende kritisch heeft opgesteld in de contacten met [betrokkene 1] en de door hem voorgestelde financiers. Het hof is echter van oordeel dat een en ander nog niet meebrengt dat de door [eiser] geleden schade, bestaande uit de door [verweerder 2] nodeloos gemaakte kosten, in redelijkheid moet worden toegerekend aan de – veronderstellenderwijs aangenomen – onvoldoende kritische houding van [verweerder 2] . Daarbij acht het hof van belang dat [betrokkene 1] niet door [verweerder 2] is geïntroduceerd maar zichzelf bij [A] / [eiser] heeft gemeld, dat [betrokkene 1] van [A] een managementfee ontving voor zijn werkzaamheden van € 10.000,- per maand, dat niemand, ook een ervaren zakenman als [eiser] zelf niet, ooit enige argwaan jegens [betrokkene 1] heeft gekoesterd en dat [betrokkene 1] kennelijk erg overtuigend overkwam en bij zijn handelingen – naar achteraf aannemelijk is geworden – gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen om de waarheid te verbloemen. Dat alle door [betrokkene 1] voorgestelde potentiële financiers zonder uitzondering verzonnen waren, is bovendien niet komen vast te staan. Het hof is dan ook van oordeel dat, voor zover sprake is van door [verweerder 2] nodeloos gemaakte kosten, de rechtens relevante oorzaak daarvan gelegen is in het onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] . Indien tijdig zou zijn ontdekt dat [betrokkene 1] niet deugde, zouden de door [verweerder 2] gemaakte kosten mogelijk (deels) zijn voorkomen. Dat dit niet gebeurd is, is echter niet aan [verweerder 2] te verwijten. Geen van de betrokkenen heeft enige argwaan gehad jegens [betrokkene 1] en aanleiding gezien tot het doen van nader onderzoek. Niet valt in te zien dat van [verweerder 2] , die geen bijzondere expertise had op het gebied van de beoordeling van de betrouwbaarheid van potentiële financiers, als redelijk bekwaam en redelijk handelend registeraccountant anders mocht worden verwacht. (…)”
Het heeft vervolgens geoordeeld dat de daardoor geleden schade in redelijkheid niet aan [verweerder 2] kan worden toegerekend. De gronden die het hof daarvoor heeft gegeven, kunnen dat oordeel zonder nadere motivering evenwel niet dragen.
De door het hof genoemde omstandigheden dat [betrokkene 1] zichzelf bij [A] en [eiser] heeft gemeld, dat [betrokkene 1] een vergoeding van € 10.000,-- per maand ontving, dat [betrokkene 1] kennelijk erg overtuigend overkwam en gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen om de waarheid te verbloemen, dat [eiser] zelf nooit aan [betrokkene 1] heeft getwijfeld, en dat niet is komen vast te staan dat alle door [betrokkene 1] aangedragen financiers verzonnen waren, maken niet begrijpelijk waarom deze schade in de verhouding tussen [eiser] en [verweerder 2] volgens het hof in het geheel niet aan [verweerder 2] is toe te rekenen. Of de schade (deels) aan [verweerder 2] is toe te rekenen hangt immers in het bijzonder ervan af of van [verweerder 2] in de concrete omstandigheden van dit geval had mogen worden verwacht dat hij [eiser] voor het (mogelijk) onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] waarschuwde, en wat de gevolgen van die waarschuwing dan (vermoedelijk) zouden zijn geweest. Het hof heeft daarover niets vastgesteld, hoewel de stellingen van [eiser] daartoe wel aanleiding gaven. Daarbij is van belang dat [eiser] erop heeft gewezen (in nrs. 28 en 96 van de appeldagvaarding, waarnaar het onderdeel verwijst) dat [verweerder 2] – blijkens diens verklaringen in de procedure bij de Accountantskamer – op de hoogte was van het dubieuze zakelijke verleden van [betrokkene 1] , en dat het hof heeft overwogen dat de gemaakte kosten mogelijk (deels) zouden zijn voorkomen als tijdig zou zijn ontdekt dat [betrokkene 1] niet deugde.
22 september 2017.