Belanghebbende, een stichting die als ondernemingspensioenfonds fungeerde, bracht transitiekosten in rekening aan het concern [I] in verband met de overdracht van pensioenvermogen aan een andere stichting. Het hof oordeelde dat deze doorbelasting een belastbare prestatie vormde en dat belanghebbende recht had op aftrek van de omzetbelasting over deze kosten.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de doorbelasting zonder meer een prestatie onder bezwarende titel is. Voor aftrek van omzetbelasting moet worden bewezen dat de kosten direct verband houden met een belaste prestatie die niet is vrijgesteld. De Hoge Raad benadrukt dat de last van bewijs hiervoor bij de ondernemer ligt.
Omdat het hof onvoldoende heeft vastgesteld dat sprake is van een belastbare prestatie, vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een volledige herbeoordeling. Het incidentele beroep van belanghebbende behoeft geen behandeling omdat het alleen was ingesteld voor het geval het principale beroep zou falen.
De Hoge Raad veroordeelt partijen niet in de proceskosten en verklaart het beroep in cassatie gegrond.