Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
2.3 Fiscale eenheid
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een houdstermaatschappij zonder personeel, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2009 tot en met 2011 wegens onterecht in aftrek gebrachte voorbelasting op doorbelaste kosten aan gelieerde vennootschappen. Tevens werden vergrijpboetes opgelegd wegens grove schuld.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond voor zover het de boetes betrof en verlaagde deze, maar wees de overige beroepen af. Belanghebbende stelde zich primair op het standpunt dat de doorbelasting van kosten een economische activiteit is, waardoor zij ondernemer is voor de omzetbelasting. Subsidiair stelde zij dat zij deel uitmaakte van een fiscale eenheid met haar deelnemingen, wat recht zou geven op aftrek van voorbelasting.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij als ondernemer handelde bij de doorbelasting van kosten en dat zij geen sturende en beleidsbepalende houdstermaatschappij was die deel kon uitmaken van een fiscale eenheid. Het hof verwierp de beroepen op vertrouwen in het controlerapport en de beschikking fiscale eenheid. Het beroep op onverschuldigde betaling faalde omdat artikel 37 Wet Pro OB van toepassing is. Het hof vernietigde de vergrijpboetes wegens het bestaan van een pleitbaar standpunt en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld en het griffierecht werd aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen omzetbelasting worden bevestigd, de vergrijpboetes vernietigd en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.