Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 17 december 2025
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
“Samenvatting
(…).
[B.V. 2](hierna: [B.V. 2] ).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit Holding en dochtermaatschappijen, heeft over de periode maart 2020 tot januari 2022 elf verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting ingediend. De Inspecteur heeft deze verzoeken geweigerd wegens vermoedens van btw-fraude en het ontbreken van bewijs dat de leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, stellende dat de door belanghebbende overgelegde self-billing facturen en verrekeningsovereenkomsten onvoldoende bewijs vormen voor de materiële leveringen. Het strafrechtelijk onderzoek toonde onregelmatigheden, waaronder ontbrekende transportdocumenten, ontkenning van betrokkenheid door bestuurders van handelspartners en het ontbreken van administratieve sporen.
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat zij bewijsnood had door inbeslagname van administratie en dat de Inspecteur te laat vragen stelde. Het Hof oordeelde dat bewijsnood niet aannemelijk is en dat de Inspecteur tijdig om informatie heeft gevraagd. Het Hof sluit zich aan bij de Rechtbank en benadrukt dat belanghebbende onvoldoende stukken heeft overgelegd om het bestaan van de leveringen aannemelijk te maken.
Het Hof wijst ook op de onduidelijkheden rond de toegepaste btw-verleggingsregeling en het ontbreken van een zorgvuldige administratie. Gezien de omvang van de transacties en de aard van de bewijsvoering is het oordeel dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De teruggaafverzoeken omzetbelasting zijn terecht afgewezen wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke leveringen.