Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
zetelende te 's-Hertogenbosch,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 oktober 2017.
Hoge Raad
Betrokkene werd door de rechtbank Oost-Brabant een voorlopige machtiging verleend om in een psychiatrisch ziekenhuis te verblijven op grond van een stoornis in de geestvermogens, mede gebaseerd op een diagnose van ernstige alcoholverslaving en vermoedens van persoonlijkheidsproblematiek.
Betrokkene stelde in cassatie dat alleen alcoholafhankelijkheid onvoldoende is voor een machtiging onder de Wet Bopz, omdat niet is gebleken dat sprake is van een ernstige psychische stoornis die het denken, voelen en handelen zodanig beïnvloedt dat het gevaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend.
De Hoge Raad overwoog dat verslaving aan middelen zoals alcohol niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden tenzij deze gepaard gaat met ernstige psychische stoornissen die het gevaar overwegend beheersen. De rechtbank had onvoldoende onderbouwd dat dit het geval was, aangezien de stukken alleen spraken over alcoholverslaving en vermoedens van persoonlijkheidsproblematiek zonder concrete aanwijzingen van een ernstige stoornis.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de voorlopige machtiging wegens onvoldoende bewijs van een ernstige stoornis in de geestvermogens en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.