Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beinvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 2.1klaagt dat het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door op grond van de overgelegde gedingstukken en de mondelinge behandeling te oordelen dat betrokkene met een ‘middelengerelateerde of verslavingsstoornis’ lijdt aan een ‘psychische stoornis’ in de zin van de Wvggz. In het bijzonder zou de rechtbank hebben miskend dat – net als in de zaak die leidde tot HR 17 maart 2017 [8] – de uit de stukken blijkende omstandigheden niet - zonder meer – kunnen rechtvaardigen dat zijn verslaving aan alcohol gekwalificeerd kan worden als een ‘psychiatrische stoornis’ als bedoeld in de Wvggz. Anders dan de rechtbank kennelijk en ten onrechte oordeelde, is voor vaststelling van de aanwezigheid van zo'n stoornis van de geestvermogens onder de Wvggz óók onvoldoende dat sprake is van (ernstige) verslaving aan, dan wel afhankelijkheid van, alcohol (ook zonder diagnose of vermoeden van neurocognitieve schade) om, tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM Pro voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming, (ruimere) toepassing van de in de Wvggz voorziene maatregelen - behoudens in noodsituaties - te kunnen rechtvaardigen. De rechtbank heeft volgens het onderdeel, kennelijk, hieraan voorbijgezien en aldus een verkeerde, want: te ruime, maatstaf aangelegd door op grond van de medische verklaring en nadere verklaring van de psychiater te oordelen dat bij betrokkene sprake is van een 'psychische stoornis' wegens alcoholafhankelijkheid en enkel vermoedens van cognitieve schade, terwijl de inhoud van de medische verklaring en ter zitting verschafte informatie geen andere conclusie wettigen dan dat het alcoholgebruik bij betrokkene niet heeft geleid tot psychische aandoeningen maar, uitsluitend, lichamelijke schade dan wel somatische klachten heeft veroorzaakt bestaande in 'delier en Wernicke ontstaan door overmatig alcoholgebruik en ondervoeding' terwijl 'geen grove geheugen problematiek' en geen 'psychotische of suïcidale problematiek' is waargenomen (rubriek 4.b) en slechts nadeel bestaat in de ontwikkeling van 'somatische schade' met enkel 'vermoedens' op ontwikkeling van 'cognitieve schade' (rubriek 6.b, 6.d). Ook stelde de rechtbank als somatische gevolgen van de alcoholverslaving vast dat betrokkene een herseninfarct heeft gehad en zijn heup heeft gebroken (rov. 2.4). Die louter lichamelijke/somatische gevolgen van alcoholgebruik rechtvaardigen niet, als zodanig en zonder meer, een (ruimere) toepassing van de onder de Wvggz voorziene vrijheidsbenemende maatregelen (vgl. HR 17 maart 2017 voornoemd). Daarmee stond de 'psychische stoornis' niet met voldoende zekerheid vast om de machtiging te kunnen afgeven (vgl. kamerstukken II 2009-2010, 32 399, nr. 3, p. 74).
Subonderdeel 2.2 onder abevat een motiveringsklacht en betoogt dat als de rechtbank het onder 2.1 aangevoerde niet heeft miskend, het oordeel onbegrijpelijk is. Uit de motivering kan volgens het onderdeel niet worden opgemaakt of, dat en op grond waarvan de rechtbank (kennelijk) van oordeel was dat de louter lichamelijke/somatische gevolgen van het alcoholgebruik bij betrokkene niet in de weg staan aan, dan wel onverlet laten, de vaststelling dat (de mate van) zijn alcoholafhankelijkheid niettemin kwalificeert als een 'stoornis van de geestvermogens' in de zin als bedoeld onder de Wvggz. Een nadere motivering was volgens
subonderdeel 2.2 onder bte meer aangewezen in het licht van de ter zitting gegeven toelichting van [betrokkene 1] dat de lichamelijke problemen bij betrokkene voortkomen uit het gebruik van alcohol en slechts sprake is van een vermoeden van 'cognitieve problematiek' die bij hem moest worden onderzocht, hij eerst een 'detox' zou moeten ondergaan waarna neuropsychologisch onderzoek zou worden uitgevoerd (p.-v., blz. 4). Met deze verklaring bevestigde [betrokkene 1] dat bij betrokkene alleen lichamelijke/somatische aandoeningen bekend waren en toen nog niet vaststond of en dat, naast of als gevolg van de mate van alcoholafhankelijkheid, hij 'cognitieve' schade had opgelopen. Het (enkel) feit dat, zoals de rechtbank in rov. 2.3 van de beschikking van 6 juli 2021 kennelijk oordeelt, de alcoholverslaving betrokkene in haar macht heeft, is in het licht van de hiervóór vermelde overige inhoud van de medische verklaring en van de verklaring van de psychiater [betrokkene 1] tijdens de mondelinge behandeling ontoereikend om het oordeel te rechtvaardigen dat sprake is van een psychische stoornis als bedoeld in de hiervóór genoemde beschikkingen van 23 september 2005 en 17 maart 2017.
Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat de kwalificatie van een classificatie als «DSM IV» op zichzelf genomen niet zonder meer aanleiding kan geven voor toepassing van het wetsvoorstel. Als voorwaarde voor het verlenen van verplichte geestelijke gezondheidszorg geldt, dat de psychische stoornis dermate ernstige vormen aanneemt dat zij betrokkene zodanig in zijn greep heeft, dat er ernstige schade voor hem of zijn omgeving ontstaat of dreigt te ontstaan. Hoofdstuk 3 van het wetsvoorstel formuleert de criteria voor verplichte zorg aan personen met een psychische stoornis.
Aansluiting is ook gezocht bij de ontwikkeling in de tijd van het «stoornis begrip» in de Wet bopz. «De stoornis moet de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheersen», aldus de wetgever in 1979 (Kamer stukken II, 1979/80, 11 270). De gedachte van de wetgever was dat betrokkene als het ware willoos werktuig in handen van de stoornis zou moeten zijn, waarbij de toerekenbaarheid voor het gevaar is vervallen, wil er sprake kunnen zijn van een geestesstoornis (zie ook de uitgebreide toelichting op het stoornisbegrip in R.H. Zuijderhoudt, Stoornis en de Wet bopz, praktijkreeks Bopz, nr. 8). Deze gedachte bracht mee dat gevaar dat voortvloeide uit middelenafhankelijkheid (verslaving) of een persoonlijkheidsstoornis niet als een geestesstoornis kon worden gekwalificeerd, tenzij de stoornis «de gevaarvolle daden overwegend zou beheersen». Aangezien tegenwoordig verslaving als een ziekte wordt opgevat en ook meer geneeskundige verklaringen voor persoonlijkheidsstoornissen worden uitgeschreven, is het oorspronkelijke onderscheid dat de wetgever aanbracht tussen «echte» psychiatrische ziektebeelden zoals psychotische aandoeningen en andere stoornissen vervaagd. Dit hangt ook samen met het ruimere arsenaal aan interventies op het terrein van de zorg die op grond van het wetsvoorstel mogelijk zijn.” [12]
Betrokkene is goed verzorgd, met een grijze baard, met een opvallend opgeblazen en rood gelaat. Hij is in gesprek heel vriendelijk en coöperatief.
a. Welk gedrag dat voor[t]vloeit uit de psychische stoornis leidt tot (dreigend) ernstig nadeel?