ECLI:NL:PHR:2024:428

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
24/00847
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 1:5 WvggzArt. 2:1 lid 1 WvggzArt. 2:1 lid 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt zorgmachtiging bij ernstige alcoholverslaving ondanks wilsbekwaam verzet

Betrokkene, met een langdurige en ernstige alcoholverslaving, werd door de rechtbank Rotterdam een zorgmachtiging opgelegd voor zes maanden op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank oordeelde dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de zin van de Wvggz, die zijn denken, voelen, willen, oordelen en handelen zodanig beheerst dat hij het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend. De zorgmachtiging omvatte onder meer opname, medicatie en bewegingsbeperkingen.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van een psychische stoornis en acuut levensgevaar, en dat de rechtbank de maatstaf voor wilsbekwaam verzet had miskend. De Hoge Raad bevestigt echter dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast, waarbij de ernst van de verslaving en de somatische complicaties zoals varicesbloeding, delirium en insulten voldoende onderbouwd zijn. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat betrokkene wilsonbekwaam is en dat zijn verzet tegen verplichte zorg geen doorslag geeft.

De Hoge Raad benadrukt dat verslaving op zichzelf niet automatisch leidt tot verplichte zorg, maar dat bij ernstige stoornissen die het denken en handelen zodanig beïnvloeden dat betrokkene het gevaar niet kan worden toegerekend, verplichte zorg gerechtvaardigd is. De medische verklaring en het zorgplan ondersteunen dit oordeel. Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging blijft van kracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging voor betrokkene blijft van kracht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00847
Zitting16 april 2024
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. J.A.J. Leeman,
tegen
Officier van Justitie arrondissementsparket Rotterdam,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

In deze Wvggz zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene, die een alcoholverslaving heeft, lijdt aan een psychische stoornis in de zin van art. 3:3 van Pro de Wvggz en ingevolge art. 6:4 Wvggz Pro een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden. Het middel klaagt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz, nu uit de stukken (met name de medische verklaring en het zorgplan) niet, althans onvoldoende blijkt dat daarvan sprake is. Voorts wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van acuut levensgevaar voor betrokkene en dat de rechtbank de door de Hoge Raad uiteengezette maatstaf met betrekking tot wilsbekwaam verzet heeft miskend.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) ingekomen op 23 november 2023, heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden. Bij dat verzoekschrift zijn onder andere overgelegd de medische verklaring van 17 november 2023, de (niet ingevulde) zorgkaart, het zorgplan van 31 augustus 2023 en de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan.
De officier van justitie heeft voorgesteld – voor de gehele looptijd van de te verlenen machtiging, te weten zes maanden – daarin de volgende vormen van verplichte zorg op te nemen:
- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles
of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een
psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis ter behandeling van een somatische
aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg
hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van
communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie
2.2
Op 11 december 2023 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Gehoord zijn: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, twee behandelaren van betrokkene, beiden verbonden aan [de kliniek] , de echtgenote van de beste vriend van betrokkene en de moeder van betrokkene.
2.3
Bij (mondelinge) beschikking van 11 december 2023, schriftelijk uitgewerkt op 22 december 2023, heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend grotendeels voor de door de officier van justitie verzochte vormen van verplichte zorg tot en met uiterlijk 11 juni 2024. De rechtbank heeft daartoe in rov. 2.1. tot en met 2.4. het volgende overwogen:
2.1.
Anders dan de advocaat van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling bepleit, is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een verslaving aan alcohol. Uit de stukken blijkt dat de verslaving van betrokkene zodanig ernstig is dat zijn denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor worden bepaald. Betrokkene drinkt al twintig jaar en de laatste tijd vooral wodka en bier. Tijdens de mondelinge behandeling beaamt betrokkene de ernst van de problematiek.
2.2.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, maatschappelijke teloorgang en ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van betrokkene of een ander. Ten aanzien van betrokkene is sprake van overmatig alcohol gebruik. Als gevolg hiervan zijn in het verleden meerdere somatische complicaties ontstaan, zoals een varices bloeding, een maagdarmbloeding, een delirant toestandsbeeld en insulten. Bovendien is sprake van maatschappelijke teloorgang. Zo lukt het betrokkene niet een baan of dagbesteding op te pakken en heeft hij veel ondersteuning nodig van zijn steunsysteem. Tijdens de mondelinge behandeling verklaart betrokkene dat hij de afgelopen periode driemaal is opgenomen voor een behandeling ter detoxificatie. Eenmaal in de thuissituatie valt betrokkene toch weer terug in het alcoholgebruik. Betrokkene verklaart dat hij sinds twee weken weer thuis is van zijn laatste opname. Hij drinkt nog steeds, maar minder dan voorheen. De echtgenote van de beste vriend van betrokkene verklaart dat betrokkene meer drinkt dan hij toegeeft. Zo drinkt hij soms wel twee flessen wodka per dag. De moeder en echtgenote van de beste vriend van betrokkene geven aan dat ze bang zijn dat betrokkene zich dood drinkt door de somatische complicaties die ontstaan als gevolg van het alcoholgebruik. De behandelaren verklaren dat het plan vanuit de zorginstelling is betrokkene eerst drie weken op de nemen ter detoxificatie, om vervolgens over te gaan tot een langdurig klinische opname met eventueel een vervolgopname op de open afdeling. De zorgmachtiging is noodzakelijk om te zorgen dat betrokkene de behandeling ondergaat en om te voorkomen dat betrokkene terugvalt in het gebruik van alcohol waardoor de somatische complicaties optreden.
2.3.
Om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
De advocaat van betrokkene bepleit tijdens de mondelinge behandeling het verzoek af te wijzen omdat betrokkene bereid is de noodzakelijke zorg in een vrijwillig kader te aanvaarden bij [de kliniek] . Gebleken is echter dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene onvoldoende bereid is om langdurig behandeling of zorg op vrijwillige basis te accepteren. Betrokkene is ambivalent in zijn wens de behandeling in een vrijwillig kader te aanvaarden. Ondanks dat betrokkene aangeeft dat hij bereid is een langdurige behandeling aan te gaan, is in het verleden meermaals gebleken dat hij vroegtijdig tegen advies in met ontslag gaat. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De advocaat bepleit bovendien afwijzing van het verzoek, omdat er sprake is van wilsbekwaam verzet. In de medische verklaring is te snel geoordeeld dat betrokkene wilsbekwaam is. De zorgverantwoordelijke heeft daarnaast geen wilsbekwaamheidsbeoordeling overlegd en geen gesprek heeft plaatsgevonden met de vertegenwoordiger, hetgeen strijdig is met artikel 1:5 van Pro de Wet verplichte ggz (Wvggz). Hoewel dit in het verleden wel het geval is geweest, is bovendien volgends de advocaat momenteel geen sprake van acuut levensgevaar.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de opnames in het ziekenhuis van de laatste tijd, wel sprake is van acuut levensgevaar en gaat aan het verweer van de advocaat voorbij. Zo hebben zich de afgelopen periode meerdere somatische complicaties voorgedaan, zoals bloedingen en insulten. Daarnaast is sprake van ernstig nadeel voor derden, omdat betrokkene met zijn alcoholgebruik zijn steunsysteem emotioneel belast.
2.4
Daarna heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat verplichte zorg, gelet op wat de rechtbank daarvoor heeft overwogen, noodzakelijk is, waarna de rechtbank de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur, heeft opgesomd. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde beoogde effect hebben, dat de voorgestelde verplichte zorg evenredig is en naar verwachting effectief, dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene (rov. 2.6) en dat gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz.
2.5
Namens betrokkene is – tijdig [1] – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen en richt zich tegen rov. 2.1. tot en met 2.4. (hiervoor geciteerd) van de beschikking van de rechtbank. Het eerste onderdeel ziet op het begrip psychische stoornis in de zin van de Wvggz en klaagt dat de rechtbank de door de Hoge Raad uiteengezette beoordelingsmaatstaf op dit punt heeft miskend. Het tweede onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van acuut levensgevaar en is voorbijgegaan aan het wilsbekwaam verzet en derhalve ook op dit punt de door de Hoge Raad uiteengezette maatstaf heeft miskend. Het derde onderdeel bevat een voortbouwklacht.
Onderdeel 1
3.2
Het eerste onderdeel [2] klaagt dat de rechtbank met het oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een verslaving aan alcohol die van een zodanige ernst is dat zijn denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor worden bepaald, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip psychische stoornis als bedoeld in art. 3:3 Wvggz Pro. Uit de gedingstukken, met name het zorgplan en de medische verklaring, alsook uit het ter zitting verhandelde blijkt niet van een psychische stoornis van zodanige ernst, zodat het door de rechtbank overwogene, althans het gegeven oordeel onbegrijpelijk is en/of ontoereikend gemotiveerd, aldus het eerste onderdeel.
3.3
In de toelichting op het onderdeel wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, [3] waaruit volgt dat het enkel problematisch drinken onvoldoende grond is voor het verlenen van een zorgmachtiging. De eis van de Hoge Raad komt er op neer dat de verslaving aan alcohol zo ingrijpend en overheersend is dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend en dat betrokkene als het ware een willoos werktuig van zijn (alcohol) verslaving is geworden, aldus de toelichting. [4] De rechtbank kon ondanks de ernst van de somatische complicaties en de gevolgen hiervan voor betrokkene, daaruit niet afleiden dat de alcoholverslaving dusdanig ernstig is, althans een dusdanig ernstige stoornis is, dat de gevaarvolle daden van betrokkene daardoor overwegend worden beheerst. [5] Het oordeel van de rechtbank vindt onvoldoende steun in de medische verklaring en het zorgplan, terwijl de gedingstukken niet zo sprekend zijn dat dit oordeel van de rechtbank geen nadere motivering verdient. [6] Uit de gedingstukken blijkt ook niet dat naast de alcoholverslaving sprake is van een andere psychische stoornis.
Bespreking onderdeel 1
3.4
Onder andere in mijn conclusie [7] voor Hoge Raad 19 januari 2024 [8] ben ik ingegaan op het juridisch kader dat heeft te gelden wanneer de vraag voorligt of een zorgmachtiging dient te worden verleend in geval van (alcohol)verslaving. Ik zal dat kader hieronder (opnieuw) kort uiteenzetten.
3.5
Art. 6:4 lid 1 Wvggz Pro bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent, indien naar zijn oordeel aan de criteria voor verplichte zorg als bedoeld in art. 3:3 Wvggz Pro en het doel van de verplichte zorg als bedoeld in art. 3:4 onder Pro b tot en met e Wvggz is voldaan. Art. 3:3 Wvggz Pro geeft als basisregel dat wanneer als gevolg van de psychische stoornis van een persoon diens gedrag leidt tot ernstig nadeel, bij wijze van uiterste middel verplichte zorg kan worden verleend. Bij een psychische stoornis gaat het om een aandoening van de geestvermogens, waarbij moet worden gedacht aan de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen. Een stoornis behoeft niet het functioneren van de geestvermogens in alle opzichten of op elk ogenblik te betreffen, maar er moet volgens art. 3:3 Wvggz Pro in ieder geval een oorzakelijk verband zijn tussen de psychische stoornis en ernstig nadeel. [9]
3.6
De vraag of een alcoholverslaving of afhankelijkheid van alcohol voldoende is om een gedwongen opname te rechtvaardigen is ook onder de voorganger van de Wvggz, de Wet Bopz, verschillende keren aan de orde gesteld. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 12 oktober 2018, [10] waarnaar ook in de procesinleiding wordt verwezen, overwogen dat:
‘(…) verslaving aan middelen als alcohol en drugs niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst (zie onder meer ook HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630). Hiermee heeft de Hoge Raad het volgende tot uitdrukking gebracht. Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan op zichzelf niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, ook niet indien wordt aangenomen dat deze verslaving een psychiatrische ziekte is. Er moet om tot toepassing van de Wet Bopz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).’
3.7
In de parlementaire geschiedenis van de Wvggz zijn aanknopingspunten te vinden dat de jurisprudentie onder de Wet Bopz zijn betekenis heeft behouden. [11]
3.8
In de Wvggz is het stoornisbegrip niet verruimd ten opzichte van de Wet Bopz, zodat verslaving aan middelen als alcohol op zichzelf nog steeds niet tot toepassing van de Wvggz kan leiden. [12] De eis blijft dat de psychische stoornis dermate ernstige vormen moet hebben aangenomen en betrokkene zodanig in zijn greep heeft dat ernstige schade voor hemzelf of zijn omgeving ontstaat of dreigt te ontstaan. [13] Het blijft dus bestendige jurisprudentie dat sprake moet zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’). [14] Een moeilijkheid is echter dat het medisch oordeel niet altijd de juridische kwalificatie ‘psychische stoornis’ kan dragen. [15]
3.9
Zoals ik ook heb weergegeven in mijn conclusie [16] voor Hoge Raad 19 januari 2024, [17] waarnaar ik hiervoor onder 3.4 reeds verwees, is de vraag of aan het wettelijk stoornisbegrip wordt voldaan in geval van verslavingsziekte vaak niet gemakkelijk te beantwoorden. Dat komt omdat, kort gezegd, bij een verslavingsziekte doorgaans dusdanige mogelijkheden voor autonome keuzes en eigen regie resteren, dat de patiënt in kwestie niet als willoos werktuig van de verslaving kan worden beschouwd. Verslavingen zijn groepen van aandoeningen waarbij de patiënt vaak voldoende autonomie, wilsbekwaamheid en toerekenbaarheid behoudt om geen willoos werktuig van zijn of haar aandoening(en) te worden. [18] De weging en vaststelling van de aanwezigheid van een psychische stoornis zoals bedoeld in de Wvggz dient in iedere zaak c.q. bij iedere persoon op maat te geschieden. [19] De rechter moet dus in dergelijke zaken goed onderbouwen waarom en hoe bij de betreffende betrokkene aan het wettelijk stoornisbegrip wordt voldaan. Hierbij mag de rechter de medische verklaring en/of hetgeen ter zitting is uitgewisseld aanhalen, omdat daaruit essentiële informatie kan worden afgeleid over hoe de aandoening(en) waaraan betrokkene lijdt hem of haar tot willoos werktuig maken. [20]
3.1
In de onderhavige zaak worden in de medische verklaring, waarnaar de rechtbank in de bestreden beschikking onder andere verwijst, door de onafhankelijk psychiater in rubriek 4.b. ten aanzien van betrokkene de volgende symptomen beschreven:
“1) het betreft een 36-jarige man welke bekend is met ernstige stoornis in alcoholgebruik. Door zijn overmatig alcoholgebruik heeft betrokkene meermaals in het ziekenhuis en op de Intensive Care gelegen vanwege maagbloedingen en delirante toestandsbeelden. Betrokkene drinkt al 20 jaar, de laatste maanden drinkt patiënt vooral wodka en bier. Voorafgaand aan de ambulante zorg van [de kliniek] is betrokkene opgenomen geweest in een algemeen ziekenhuis vanwege een varices bloeding. Hierbij is betrokkene, tegen advies in, met ontslag gegaan. In de maanden juli en augustus is betrokkene tweemaal opgenomen geweest in [de kliniek] ter detoxificatie van de alcohol. Na de eerste opname viel betrokkene binnen 24 uur terug in alcoholgebruik. Er kon met spoed een tweede opname worden ingezet welke betrokkene, ook tegen advies in, zelfstandig beëindigde. Betrokkene weigert een nieuwe opname. Er is overlegd om de alcohol ambulant af te bouwen maar dit is volgens medisch specialisten niet verantwoord. Vanwege de ernst en hoeveelheid aan somatische complicaties is het niet mogelijk om ambulant te detoxificeren. Betrokkene heeft een laag gemiddelde intelligentie waardoor hij de ernst van zijn gebruik niet overziet, daarbij bagatelliseert hij het gebruik en de ziekenhuisopnames. (…) Vanuit de kliniek wordt gedacht dat een neuropsychologisch onderzoek zinvol is om te kijken of er niet meer aan de hand is waarvoor in de behandeling aandacht moet zijn om succesvolle behandeling haalbaar te maken. Hiervoor is een langere periode van abstinentie nodig hetgeen ambulant niet haalbaar lijkt vanuit de voorgeschiedenis. (…)
2) Betrokkene geeft aan dat hij bekend is met een alcoholverslaving en dat het nu hartstikke goed met hem gaat. Hij heeft eenmalig een opname van 5 weken afgemaakt waarbij spoedig terugval na thuiskomst in augustus 2023. Daarna een tweede opname gehad waarbij hij na 3 weken weggerend is omdat hij het niet meer aan kon. Hij werd onrustig waarbij wederom een terugval bij thuiskomst. Betrokkene geeft aan alcohol wel gezellig te vinden en er relaxed van te worden en kan geen nadelen of gevaren benoemen wanneer hier naar gevraagd wordt. Bij navraag naar ziekenhuisopnames geeft hij aan tweemaal een maag/slokdarmbloeding gehad te hebben waarvoor hij geopereerd is in het ziekenhuis. Pas wanneer aangegeven wordt dat dat dit wel ernstig klinkt waarbij gelezen is over een IC-opname dan geeft hij aan dat dit wel gevaarlijk voor hem zou kunnen zijn. (…).”
Voorts volgt uit rubriek 4.d. dat de psychiater van oordeel is dat sprake is van een psychische stoornis bij betrokkene. In dat kader is als (voorlopige) diagnose gesteld:
“Stoornis in het alcoholgebruik, ernstig.”
Onder rubriek 4.f. wordt de diagnose in de navolgende DSM-afgeleide classificatie geschaard:
“6. Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen.”
De psychiater heeft in rubriek 6.b. ten aanzien van de vraag waaruit het ernstig nadeel bestaat het volgende opgemerkt:
“Alcoholgebruik waarbij snel somatische complicaties ontstaan: varices bloeding, maagdarmbloeding, insulten, delirant toestandsbeeld.
Maatschappelijke teloorgang op het gebied van somatiek, neurocognitieve schade, persoonlijke ontwikkeling en overbelasting van het steunsysteem.”
In rubriek 6.c. staat voorts beschreven op grond van welke symptomen, gedragingen of feiten de psychiater tot zijn oordeel komt:
“1) Betrokkene kan geen baan of dagbesteding oppakken, heeft veel ondersteuning vanuit het steunsysteem nodig en er zijn aanwijzingen voor neurocognitieve schade
2) Betrokkene heeft meermalen opgenomen gelegen in het ziekenhuis en is tevens geopereerd wegens varicesbloedingen; teven sprake geweest van insulten en een delirant toestandsbeeld.”
Tot slot wordt in rubriek 6.e. het ernstig nadeel onder andere ingedeeld in de categorie: “Ernstige psychische schade”.
3.11
In het zorg/behandelplan wordt onder rubriek 4.a. ten aanzien van de diagnose het volgende vermeld:
“Het betreft een 36-jarige man welke al lange tijd bekend is met alcoholabuses en sinds de laatste maanden ook somatische complicaties hiervan ondervindt. Betrokkene heeft een laag gemiddelde intelligentie, onzekere daginvulling en beperkt sociaal netwerk. Betrokkene ziet niet in hoe ernstig de complicaties zijn (geweest). Betrokkene heeft weinig inzicht in zijn eigen gedragingen en patronen waardoor de terugval in alcohol hoog ligt.”
3.12
Gezien de diagnose en hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de rechtbank, anders dan het onderdeel betoogt, de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf mijns inziens niet miskend. De rechtbank heeft in rov. 2.1. niet enkel geoordeeld dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een verslaving aan alcohol, maar daarbij ook geoordeeld dat uit de stukken blijkt dat de verslaving van betrokkene zodanig ernstig is dat zijn denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor worden bepaald. De rechtbank heeft de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf derhalve met zoveel woorden in haar motivering herhaald.
3.13
In rov. 2.2. overweegt de rechtbank vervolgens dat als gevolg van het overmatig alcoholgebruik van betrokkene in het verleden meerdere somatische complicaties zijn ontstaan, zoals een varices bloeding (slokdarmspataderen), een maagbloeding, een delirant toestandsbeeld en insulten. Bovendien is door de toestand van betrokkene volgens de rechtbank sprake van maatschappelijke teloorgang, omdat het hem niet lukt om een baan of dagbesteding op te pakken en hij veel ondersteuning nodig heeft van zijn steunsysteem. Betrokkene is de afgelopen drie maanden opgenomen voor een behandeling ter detoxificatie, maar valt eenmaal in de thuissituatie toch weer terug in alcoholgebruik, zo overweegt de rechtbank verder. Een en ander volgt ook uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 december 2023. Betrokkene laat in dat kader ter zitting weten vanaf juli 2023 drie keer opgenomen te zijn geweest, waarna hij, eenmaal terug in de thuissituatie opnieuw is teruggevallen in alcoholgebruik. Daarbij laat betrokkene ook weten dat hij “na drie weken gewoon moest vertrekken, maar wel langer had willen blijven”. [21] Ook de arts heeft ter zitting gesproken over een “behandelwens” van betrokkene. [22] De arts verklaart in dat kader vervolgens: “Hij is een jaar geleden opgenomen geweest op de IC, braakte bloed. Hij drinkt zo ongelofelijk veel, zorg van moeder en mij. Hij is geen volhouder. Hij drinkt soms wel twee flessen wodka per dag, hij stopt gewoon niet, lever en slokdarm zijn dusdanig aangetast. Hij drinkt zichzelf momenteel dood.” [23] De moeder van betrokkene voegt daaraan onder andere toe dat betrokkene in juni op de IC lag, waarbij een arts zei dat het onduidelijk was of betrokkene de ochtend zou halen. [24] Betrokkene laat daarop weten: dat “de dames (ik begrijp: de arts en zijn moeder) gelijk hebben” en dat hij “in zijn hoofd zelf wel de maanden wil afmaken.” [25] Zoals hiervoor onder 3.10 reeds is weergegeven, volgt ook uit de medische verklaring dat betrokkene in het (recente) verleden meermaals is opgenomen geweest, maar de opnames, tegen advies in, zelfstandig heeft beëindigd. Daarbij acht ik de beschrijving van de psychiater in rubriek 4.b. (hiervoor eveneens onder 3.10 geciteerd) relevant, nu daaruit volgt dat betrokkene een laag gemiddelde intelligentie heeft, waardoor hij de ernst van zijn gebruik niet overziet en het gebruik zelf en de ziekenhuisopnames bagatelliseert. Betrokkene kan ook geen nadelen of gevaren benoemen (van zijn alcoholgebruik), wanneer hem daarnaar wordt gevraagd, aldus de onafhankelijk psychiater. Voorts volgt uit rubriek 6.b. van de medische verklaring dat bij betrokkene onder andere sprake is van neurocognitieve schade. Kennelijk heeft de rechtbank uit de ernstige complicaties die bij betrokkene als gevolg van zijn overmatig alcoholgebruik zijn ontstaan (waaronder varices bloeding, een maagbloeding, een delirant toestandsbeeld en insulten) in combinatie met de omstandigheid dat het betrokkene ondanks zijn behandelwens niet lukt om een opname af te ronden, afgeleid dat de alcohol het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend beïnvloeden dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. Dit oordeel is in het licht van de medische verklaring, het zorg/behandelplan en het verhandelde ter zitting niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het onderdeel faalt dan ook in zoverre.
3.14
Ook voor zover het onderdeel klaagt dat de rechtbank heeft blijkgegeven van een onjuiste opvatting ten aanzien van het stoornisbegrip en het vereiste oorzakelijk verband met het te duchten gevaar, kan het onderdeel niet slagen. De rechtbank noemt in rov. 2.2. (eerste zin) dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychiatrische schade, maatschappelijke teloorgang en ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van betrokkene of een ander. De rechtbank overweegt daarop dat ten aanzien van betrokkene sprake is van overmatig alcoholgebruik. Vervolgens overweegt de rechtbank dat
als gevolg hiervanmeerdere somatische complicaties zijn ontstaan en dat sprake is van maatschappelijke teloorgang, waarbij het betrokkene onder andere niet lukt om een baan of dagbesteding op te pakken. De rechtbank overweegt voorts dat betrokkene de afgelopen periode meermaals is opgenomen geweest, maar eenmaal in de thuissituatie toch weer terugvalt in alcoholgebruik en ook thans nog steeds drinkt. Hieruit volgt mijns inziens voldoende dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door het gedrag van betrokkene (te weten het overmatig drinken van alcohol) dat voortvloeit uit de psychische stoornis. Dat oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk in het licht van de inhoud van de overgelegde stukken, waarbij ik onder andere wijs op rubriek 6.a. tot en met c. van de medische verklaring (hiervoor onder 3.10 geciteerd), waaruit volgt dat ook de onafhankelijk psychiater van oordeel is dat uit het gedrag van betrokkene als gevolg van de psychische stoornis (een aanzienlijk risico op) ernstig nadeel voortvloeit. Mede in dit licht bezien is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk.
3.15
Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel faalt.
Onderdeel 2
3.16
Het tweede onderdeel [26] klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de opnames in het ziekenhuis van de laatste tijd sprake is van acuut levensgevaar en dat daarnaast sprake is van ernstig nadeel voor derden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het oordeel, gelet op de medische verklaring, het zorgplan en het ter zitting behandelde, onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is van acuut levensgevaar noch van ernstig nadeel voor derden. Ook is de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft haar oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, door ten onrechte voorbij te gaan aan het door (de advocaat van) betrokkene ter zitting gevoerde bezwaar tegen de voorgestelde verplichte zorg, en de omstandigheid dat de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, aanhef en onder b Wvggz, zich niet voordoen en zich aldus geen oordeel te vormen over de wilsbekwaamheid van betrokkene. De rechtbank heeft daarmee de door de Hoge Raad in zijn beschikking van 4 februari 2022 [27] uiteengezette maatstaf miskend, aldus het onderdeel.
3.17
In de toelichting op het onderdeel wordt verwezen naar het verweer van betrokkene bij de rechtbank, te weten dat betrokkene zorg op vrijwillige basis wil en zich wilsbekwaam (heeft) verzet tegen de verzochte zorgmachtiging. Namens betrokkene is ook opgemerkt dat in de medische verklaring te snel is geoordeeld dat hij wilsonbekwaam is in verband waarmee er op is gewezen dat er door de zorgverantwoordelijke geen beoordeling is overgelegd en geen gesprek met een vertegenwoordiger heeft plaatsgevonden, zodat sprake is van strijd met art. 1:5 Wvggz Pro. Voorts is bij de rechtbank betoogd dat geen sprake is van acuut levensgevaar. [28] Verder volgt uit de toelichting dat hoewel in de medische verklaring (rubriek 9) is opgenomen dat betrokkene wilsbekwaam is, de rechtbank, gelet op het ter zitting gemaakte bezwaar tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, aanhef en onder b, had moeten beoordelen, althans vaststellen of betrokkene (op dat moment) wilsbekwaam was, dan wel dat sprake was van wilsbekwaam verzet, temeer nu tussen het opstellen van de medische verklaring en de mondelinge behandeling meer dan 3 weken zaten.
Bespreking onderdeel 2
3.18
Art. 2:1 lid 1 Wvggz Pro bepaalt dat de zorgaanbieder en de geneesheer-directeur voldoende mogelijkheden bieden voor zorg op basis van vrijwilligheid, om daarmee verplichte zorg zoveel mogelijk te voorkomen. Lid 2 van dat artikel voegt daaraan toe dat verplichte zorg alleen als uiterste middel kan worden overwogen, indien er geen mogelijkheden voor vrijwillige zorg meer zijn.
3.19
Art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro bepaalt vervolgens dat de wensen en voorkeuren van de betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg worden gehonoreerd, tenzij:
- a. de betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, of
- b. acuut levensgevaar voor de betrokkene dreigt dan wel er een aanzienlijk risico voor een ander is op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
3.2
In de beschikking van 4 februari 2022, [29] waarnaar in het onderdeel wordt verwezen, oordeelde de Hoge Raad dat art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro ook van toepassing is in de fase van de afgifte van een zorgmachtiging. De Hoge Raad vervolgde dat:
“(…) indien de betrokkene tijdens de procedure tot het verlenen van een zorgmachtiging een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, aanhef en onder b, Wvggz zich niet voordoen, de rechter dient te beoordelen of de betrokkene wilsbekwaam is. Hiertoe dient, indien daarover in de medische verklaring niet is gerapporteerd, een verklaring te worden gevraagd van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Zo nodig dient de procedure daartoe te worden aangehouden. In het geval dat uit de medische verklaring of uit de hiervoor bedoelde verklaring van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog blijkt dat de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, dient diens bezwaar tegen de verplichte zorg te worden gehonoreerd.” [30]
3.21
Art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro gaat dus uit van twee verschillende situaties: de betrokkene is wilsonbekwaam met als gevolg dat met het verzet geen rekening hoeft te worden verhouden, of er is sprake van wilsbekwaamheid maar tegelijkertijd ook van een acuut risico op levensgevaar voor de betrokkene zelf of van een aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor een ander of van een gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. [31] Waar het gaat om het beoordelen van de wilsbekwaamheid laat de Hoge Raad de rechter twee mogelijkheden, waarbij de eerste mogelijkheid is dat de rechter zich kan baseren op de medische verklaring bij het verzoek om een zorgmachtiging, als daarin iets is opgenomen over de wilsbekwaamheid van betrokkene. Is dat niet het geval, dan zal de rechter een verklaring moeten vragen van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is. [32]
3.22
In de onderhavige zaak heeft de onafhankelijk psychiater in rubriek 9. van de medische verklaring geoordeeld dat betrokkene niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake de voorgenomen verplichte zorg. De psychiater acht betrokkene ter zake wilsonbekwaam, omdat hij geen ziekte inzicht vertoont en geen redelijk verband legt tussen het alcoholgebruik en het gevolg van de ernstige nadelen die eerder hebben plaatsgevonden.
De rechtbank hoefde gelet hierop geen rekening te houden met het verzet van betrokkene tegen de verplichte zorg. Dat de mondelinge behandeling bij de rechtbank drie weken na de afname van het psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat de rechtbank vervolgens heeft geoordeeld dat sprake is van acuut levensgevaar, wat daar ook van zij, doet hieraan niet af. Voor zover in het onderdeel wordt verwezen naar de (enkele) stelling van de advocaat van betrokkene ter zitting dat te snel zou zijn geoordeeld dat betrokkene wilsonbekwaam is, kon de rechtbank daaraan bij gebrek aan nadere onderbouwing (eveneens) voorbij gaan.
3.23
Het voorgaande brengt met zich dat ook het tweede onderdeel faalt.
Onderdeel 3
3.24
Onderdeel drie bouwt voort op de voorgaande onderdelen. Nu deze onderdelen falen, haalt ook het derde onderdeel.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De procesinleiding is op 8 maart 2024, te weten binnen de termijn van drie maanden ex art. 426 lid 1 Rv Pro, via het webportaal ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
2.Weergegeven onder randnummer 2. van de procesinleiding en nader toegelicht onder randnummers 3. t/m 5. van de procesinleiding.
4.In de procesinleiding wordt op dit punt verwezen naar de annotatie van W.J.A.M. Dijkers bij Hoge Raad 13 (in de procesinleiding staat abusievelijk ‘12’) oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630, JGz 2017/12.
5.In de procesinleiding wordt op dit punt (wederom) verwezen naar Hoge Raad 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630, rov. 3.3.
6.In de procesinleiding wordt op dit punt verwezen naar Hoge Raad 16 mei 1997,
9.W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 3:3 Wvggz Pro, aant. 2.1., Den Haag: Sdu 2023.
11.Kamerstukken II, 2009/2010, 32 399, nr. 3, p. 11-12 en 15. Zie ook mijn conclusie voor Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2023:1129, onder 3.9.
12.Zie Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559, rov. 3.2.3.
13.Kamerstukken II, 2009/2010, 32 399, nr. 3, p. 11.
14.Zie Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559, NJ 2022/161, rov. 323, herhaald in Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433 (Wvggz zaken) met verwijzing naar Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:461, rov. 3.3.2 en Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1936, rov. 3.3.2 (Bopz-zaken).
15.Over het medisch versus het juridisch ‘stoornisbegrip’ zie nader: C. Reijntjes-Wendenburg, ‘Verslaving: Van BOPZ naar Wet VGGZ’, AA 2018, p. 370-273.
18.Zie annotatie van J.J. de Jong bij Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:58, JGz 2022/7.
19.Zie annotatie redactie bij Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433, JGz 2023/3.
20.Zie annotatie redactie bij Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433, JGz 2023/3.
21.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 11 december 2023, p. 1 (onder “De betrokkene”).
22.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 11 december 2023, p. 2 (bovenaan).
23.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 11 december 2023, p. 3 (onder het tweede kopje “De arts”).
24.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 11 december 2023, p. 3 (onder “De moeder”).
25.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 11 december 2023, p. 3 (midden, onder “De betrokkene”).
26.Weergegeven onder randnummer 6. van de procesinleiding en nader toegelicht onder randnummers 7. t/m 11. van de procesinleiding.
28.In de procesinleiding wordt voor wat betreft genoemd verweer verwezen naar rov. 2.4 van de beschikking van de rechtbank en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 december 2023, p. 2 t/m 4.
29.ECLI:NL:HR:2022:123, rov. 3.1.5.
30.Met weglating van de voetnoten.
31.R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheid, Handleiding voor de praktijk, Sdu, Den Haag 2023, p. 30.
32.Zie annotatie J. Legemaate bij HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123.