Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
31 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een TBS-patiënt die op 10 juli 2013 een reclasseringsmedewerkster bedreigde tijdens een bezoek in een kliniek. Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging vanwege de bijzondere omstandigheden rondom de gezondheid van verdachte en de gevolgen van de vervolging.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de maatstaf voor niet-ontvankelijkheid niet correct heeft toegepast. Het hof had moeten toetsen of geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie tot vervolging had kunnen besluiten omdat er geen strafrechtelijk belang zou zijn. Het hof stelde echter slechts dat het OM niet in redelijkheid tot vervolging had kunnen komen, zonder deze toetsing.
De Hoge Raad benadrukt dat bedreiging van een reclasseringswerker een ernstig feit is dat speciale bescherming verdient, en dat het ontbreken van een strafrechtelijk belang niet aannemelijk is gemaakt. Wel merkt de Hoge Raad op dat de strafrechter bij de strafoplegging rekening kan houden met de gezondheid van verdachte en het tijdsverloop.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep op basis van de juiste maatstaf.
De uitspraak onderstreept de restrictieve toepassing van het opportuniteitsbeginsel en de uitzonderlijke omstandigheden waarin het OM niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.