Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het gerechtshof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet niet-ontvankelijk in de vervolging heeft verklaard, althans dat oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
(…)
De raadsman voert verder het volgende aan:
(BFK: ik begrijp, gelet op de hierna weergegeven aan genoemd proces-verbaal gehechte handgeschreven notitie: 15 september 2015)en een notitie d.d. 15 september 2015. Genoemde formulieren vermelden het registratienummer PL2000-2015139808 dat eveneens het nummer is van het eindproces-verbaal van de politie in onderhavige zaak. Blijkens het dossier is cliënt op 16 juni 2015 gehoord. Nadien is hij nogmaals aangehouden en in verzekering gesteld op 14 september 2015. Toen ik cliënt wilde bezoeken, bleek hij al heengezonden. Telefonische navraag bij het OM (KCC, ZSM) leerde dat op 15 september 2015 een vervolgbeslissing zou worden genomen. Op 15 september 2015 ontving ik vervolgens een telefoonnotitie van mijn secretaresse dat de zaak geseponeerd zou worden. Van al deze handelingen ná juni 2015 tref ik echter geen stukken aan in het dossier. Mijns inziens dient dit wel onderzocht te worden, aangezien een sepotmededeling de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie raakt. Ik ben overigens niet op de hoogte van de reden van sepot.
ut 15/9/15 KCC [...](…)
ZSM→ is nog loopzaak → wordt nog even bekeken
wellicht sepot
wordt vandaag over beslist
→ [...] krijgt ook bericht’
Van:Secretariaat
Verzonden:dinsdag 15 september 2015 14:39
Aan:[...]
Parket Breda belde inz. [verdachte]
Zaak wordt geseponeerd…’
=========================
(BFK: 15 september 2015)en een e-mailbericht d.d. 15 september 2015 van de secretaresse aan de raadsman – verdachte op 14 september 2015 is aangehouden voor de onderhavige zaak. De raadsman heeft tijdens de genoemde zitting verder aangevoerd dat nadat hij verdachte op 14 september 2015 wilde bezoeken, deze reeds was heengezonden en dat telefonische navraag nadien blijkens de handgeschreven notitie leerde dat op 15 september 2015 een vervolgingsbeslissing zou worden genomen. Het overgelegde e-mailbericht van de secretaresse aan de raadsman vermeldt: ‘Parket Breda belde inz. [verdachte]. Zaak wordt geseponeerd...’.
NJ1997/484 m.nt. Reijntjes was sprake van een in enkele opzichten vergelijkbare gang van zaken. De raadsman had aangevoerd dat hij onder meer bij brief aan de betreffende officier van justitie had gevraagd om ‘duidelijkheid over het verdere verloop van de zaak’. De betreffende officier van justitie had vervolgens ‘telefonisch aan zijn secretaresse (…) meegedeeld dat de verdachte terzake van het onder 1 telastegelegde niet zou worden vervolgd’. Dat was aan de raadsman gemeld door diens secretaresse; de raadsman had aan de rechtbank een telefoonnotitie overgelegd waarin stond: ‘Wil doorgeven dat de vervolging niet doorgaat’. De officier van justitie verklaarde ter terechtzitting op ambtseed dat hij nooit een onvoorwaardelijke niet vervolging had toegezegd voor deze feiten. Het verweer was door rechtbank en hof verworpen omdat ‘een enkele telefoonnotitie van de secretaresse van de raadsman onvoldoende basis biedt om daarop een gerechtvaardigd vertrouwen te stoelen dat de officier van justitie niet – alsnog – tot vervolging over zal gaan.’ Uw Raad was van oordeel dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn gedachtegang: