Uitspraak
[A], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 maart 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het bezit van wapens en munitie van categorie III. De Officier van Justitie stelde tegen deze vrijspraak hoger beroep in. De verdachte was in eerste aanleg bijgestaan door een raadsman en was zelf verschenen, maar in hoger beroep verscheen hij niet en werd verstek verleend.
De kern van het geschil betrof de vraag of de verdachte op de hoogte was gesteld van het hoger beroep en de datum van de terechtzitting. Volgens artikel 409 Sv Pro moet de verdachte in persoon worden betekend wanneer de OvJ hoger beroep instelt tegen een vrijspraak, tenzij de verdachte bij de eerste terechtzitting aanwezig was geweest. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte in eerste aanleg aanwezig was geweest en dus geen persoonlijke betekening vereist was.
Daarnaast stelde de Hoge Raad dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman, zeker wanneer hij weet dat hoger beroep mogelijk is. Omdat de verdachte zich niet bereikbaar hield en geen contact had met zijn raadsman, was het oordeel van het hof dat hij vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht niet onbegrijpelijk.
Het beroep in cassatie werd daarom verworpen en het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU werd niet ingewilligd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in hoger beroep.