Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
3.Beoordeling van de namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
4 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de redelijke termijn in eerste aanleg werd overschreden. De overschrijding bedroeg meer dan vier jaar vanaf de aanvang van de termijn bij de doorzoeking op 19 januari 2011 tot het vonnis op 21 januari 2015. Het hof oordeelde dat deze overschrijding gecompenseerd werd door de snelle behandeling in hoger beroep.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie omtrent de redelijke termijn en oordeelt dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, gezien de lange duur van de eerste aanleg. Om doelmatigheidsredenen doet de Hoge Raad de zaak zelf af en vermindert de opgelegde gevangenisstraf van veertien maanden met één maand.
De advocaat-generaal had voorgesteld de straf te verminderen vanwege de termijnoverschrijding, hetgeen door de Hoge Raad wordt gevolgd. De middelen van de benadeelde partijen leiden niet tot cassatie. De straf wordt derhalve verminderd tot dertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot dertien maanden wegens overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg.