Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een ter terechtzitting gevoerd verweer dat de redelijke termijn is geschonden.
Schending redelijke termijn
redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld”. De behandeling van de terechtzitting van de strafzaak van cliënt had binnen vier jaren (voor beide instanties) met een eindvonnis dienen te zijn afgerond, welke termijn inmiddels is overschreden met 1 jaar en 8 maanden. Cliënt heeft in de tussenliggende periode telkens in onzekerheid geleefd over de afdoening van zijn strafzaak.
Strafmotivering
NJ2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer overwogen dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte recht op berechting binnen een redelijke termijn. Hij hoeft in zijn uitspraak alleen in bepaalde gevallen te doen blijken van dat onderzoek. Daaronder ressorteert het geval dat ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, omdat op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden genomen (rov. 3.8).
NJ2007/50. De verdachte was op 27 augustus 1999 aangehouden, verhoord en zonder in verzekering te zijn gesteld heengezonden. Pas op 29 augustus 2001 was de inleidende dagvaarding in persoon aan de verdachte betekend. ’s Hofs oordeel dat de redelijke termijn een aanvang had genomen met de betekening van de inleidende dagvaarding gaf volgens Uw Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2475 was wel aangenomen dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang had genomen door het eerste verhoor; de verdachte had in dat verhoor bekend.
between 1981 and May 1984 the applicant’s companies were under investigation in connection with the tax returns which they had submitted’ (rov. 45). Het was ook de datum waar Nederland in de procedure voor het EHRM vanuit was gegaan.
chargevolgde niet. In april 2004 werden O’Neill en Lauchlan in Spanje gearresteerd in verband met de ontvoering van een minderjarige. Nadat zij waren veroordeeld op basis van de Sex Offenders Act 1997 werden zij op 5 april 2005 ‘
charged with the murder of A.M. and with concealing and disposing of her body’ (rov. 16). Het Verenigd Koninkriijk was van oordeel dat 5 april 2005 het beginpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn was; dat was de dag ‘
when the applicants appeared on petition at the Sheriff Court’. De klagers waren van oordeel ‘
that the correct starting point was in fact 17 September 1998, that being the date when they were interviewed and accused by police officers of having murdered A.M.’ (rov. 84). Het EHRM beoordeelt de zaak ‘
on the assumed basis that the period to be taken into consideration began on 5 April 2005’, overwegend dat een keuze voor de benadering van de klagers ‘
would not have materially affected the Court’s overall conclusion, since the lapse of time between September 1998 and April 2005 was not the result of a lack of diligence on the part of the authorities’ (rov. 85). [14]
when Mr Yankov had been formally charged’(rov. 17). Het EHRM overweegt: ‘
The prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial favours a substantive, rather than a formal, conception of “charge”; it requires the Court to look behind the appearances and examine the realities of the procedure in question (…). Applying these principles to the situation before it, the Court finds that Mr Yankov was subject to a “charge” from the moment when the police took a statement from him in which he confessed to taking part in the commission of the offence, that is, 27 January 1995’(rov. 18)
. [16]
NJ2006/539 leidde deze regel ertoe dat een vermindering achterwege bleef hoewel zes weken gevangenisstraf was opgelegd. Het bestreden arrest was in die zaak gewezen op 3 december 2004, het bij verstek gewezen vonnis van de politierechter op 4 juli 2003. De schending van de redelijke termijn bestond alleen in het te laat inzenden van de stukken, die pas op 26 april 2004 ter griffie van het hof waren binnengekomen. [21] Die situatie doet zich hier niet voor.