Conclusie
Nummer22/02369
Inleiding
De bewezenverklaring
Het eerste middel
nadeeldat is ontstaan als gevolg van het indienen van
alleonjuiste aangiften. [5] Het hof heeft dit nadeel vastgesteld op € 215.100. Het hof heeft ook vastgesteld dat de modus operandi in alle aangiften telkens hetzelfde was. De verdachte is verder in het vooronderzoek gehoord over alle aangiften en alle aangiften zijn tevens tijdens het onderzoek ter terechtzitting behandeld. De verdachte Hij is in de gelegenheid gesteld om over alle aangiften een verklaring af te leggen, aldus het hof.
Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de 27 in de bewezenverklaring betrokken aangiften “een selectie” zijn van de andere in de strafoplegging betrokken aangiften en “de modus operandi” bij het doen van de onjuiste aangiften telkens dezelfde was. Verder heeft het hof onder meer vastgesteld dat op de terechtzitting in hoger beroep “alle aangiften in de tenlastegelegde periode” (en dus ook de niet tenlastegelegde aangiften) aan de verdachte zijn voorgehouden, en de verdachte over het opzettelijk onjuist indienen van al die aangiften in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen, welke vaststelling niet onbegrijpelijk is gelet op het (…) proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.”
Het tweede middel
“5. Redelijke termijn
waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld(onderstreping, RP). Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM Pro niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden."
Eckle v. Germany, judgment of 15 July 1982, Series A no. 51, § 73 the Court said:
Deweerjudgment of 27 February 1980, Series A no. 35, p. 22, par. 42), such as the date of arrest, the date when the person concerned was officially notified that he would be prosecuted or the date when preliminary investigations were opened (see the
Wemhoffjudgment of 27 June 1968, Series A no. 7, pp. 26-27, par. 19, the
Neumeisterjudgment of the same date, Series A no. 8, p. 41, par. 18, and the
Ringeisenjudgment of 16 July 1971, Series A no. 13, p. 45, par. 110). “Charge”, for the purposes of Article 6 § 1, may be defined as “the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence”, a definition that also corresponds to the test whether “the situation of the [suspect] has been substantially affected” (see the above-mentioned
Deweerjudgment, p. 24, par. 46).”
Ecklecase, it found that the applicant had been “charged” at the moment when the search warrant against his property was issued and executed (
op. cit. § 75).
Ecklejudgment. (…)”