ECLI:NL:PHR:2023:1185

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
22/02369
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 181 SvArt. 110 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafoplegging bij grootschalige fiscale fraude en behandelt redelijke termijn

De verdachte werd door de rechtbank en het gerechtshof veroordeeld voor het opzettelijk onjuist indienen van meerdere aangiften omzetbelasting over de periode 2013-2017, waarbij een fiscaal nadeel van €215.100 werd vastgesteld. Het hof verhoogde de straf tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

In cassatie werden drie middelen aangevoerd: het meewegen van niet tenlastegelegde feiten in de straftoemeting, het beginpunt van de redelijke termijn in eerste aanleg en de overschrijding van de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad. De Hoge Raad verwierp de eerste twee middelen, bevestigde dat het hof terecht rekening hield met het grootschalige karakter van de fraude en oordeelde dat het beginpunt van de redelijke termijn terecht werd gesteld op het eerste verhoor van de verdachte.

Het derde middel slaagde echter: de stukken waren met een maand overschrijding ingezonden, wat een strafvermindering rechtvaardigt. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het de duur van de gevangenisstraf betreft, met vermindering van de straf volgens de gebruikelijke maatstaf.

De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het meewegen van niet tenlastegelegde feiten en de complexe beoordeling van het beginpunt van de redelijke termijn in fiscale fraudezaken. Tevens wordt bevestigd dat een overschrijding van de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad gevolgen kan hebben voor de strafoplegging.

Uitkomst: De gevangenisstraf van tien maanden wordt verminderd wegens overschrijding van de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02369

Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, heeft de verdachte bij vonnis van 21 juni 2021 veroordeeld wegens “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 21 juni 2022 het vonnis van de rechtbank bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vier voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

De bewezenverklaring

2.1
Ten laste van de verdachte is door de rechtbank bewezenverklaard, bevestigd door het hof, dat hij:
“handelend onder de naam ‘ [A] Koerierbedrijf', in de periode van 30 april 2013 tot en met 31 januari 2017, in Eindhoven en of Apeldoorn, meermalen, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van [verdachte] , ook wel [A] Koerierbedrijf over de aangiftetijdvakken
- 1e kwartaal 2013 (…) en,
- 2e kwartaal 2014 (…) en,
- 3e kwartaal 2015 (…) en,
- 3e kwartaal 2016 (…) en,
- 4e kwartaal 2016 (…),
onjuist heeft gedaan,
immers heeft hij toen aldaar telkens opzettelijk op bij de Belastingdienst te Apeldoorn ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken, telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.”

Het eerste middel

3.1
Het eerste middel klaagt dat het hof op ontoereikende gronden niet tenlastegelegde strafbare feiten heeft meegewogen in de straftoemeting. Daarnaast houdt het middel in dat het hof ten onrechte de samenwerking van de verdachte met zijn administrateur in strafverzwarende zin heeft laten meewegen terwijl het tenlastegelegde medeplegen niet bewezen is verklaard en volgens de bewijsmiddelen de administrateur heeft verklaard dat de “wijze van wegboeken” zijn fout was.
3.2
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank ter zake van de straftoemeting vernietigd en een hogere straf opgelegd. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
“Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar, conform het voorstel van de advocaat-generaal, een taakstraf eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd. Daartoe is aandacht gevraagd voor de gevolgen die het strafbare feit voor hem heeft gehad en voor zijn persoonlijke omstandigheden. De eenmanszaak van de verdachte is op 20 oktober 2020 failliet verklaard. De verdachte woont niet meer samen met zijn partner waardoor hij zijn kinderen nauwelijks ziet. Hij is zijn woning verloren en ingetrokken in een huurflat. Door diabetes en stressklachten is hij in 2021 in het ziekenhuis beland. Inmiddels is hij weer werkzaam als koerier. Een gevangenisstraf zou de stappen die de verdachte heeft gemaakt en de veerkracht die hij heeft getoond, doorkruisen, aldus de raadsman. De verdachte is bang dat hij dan weer in een depressie terecht komt.
Verder is nog opgemerkt dat het berekende nadeel volgens de verdachte te hoog is becijferd en is aandacht gevraagd voor de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij gedurende meerdere jaren met zijn eenmanszaak belastingfraude heeft gepleegd. Ondanks dat de verdachte er door de administrateur op is gewezen dat de wijze waarop hij de voorbelasting berekende en in de aangiften, die hij zelf deed, in aftrek bracht niet juist was, heeft hij zijn handelwijze meerdere jaren voortgezet. Hierbij heeft hij listig en geraffineerd gehandeld. Uit zijn aangetroffen penaantekeningen blijkt dat verdachte uit de omzetbedragen de omzetbelasting berekende, maar dat hij voor de in aftrek te brengen voorbelasting volle bedragen in aanmerking nam in plaats van de omzetbelasting die daarin begrepen was. De listigheid en geraffineerdheid blijkt ook uit het feit dat hij in samenwerking met de administrateur de te veel in aftrek gebrachte voorbelasting op dusdanige wijze in de jaarrekeningen verwerkte dat er per balansdatum geen of minder verschuldigde omzetbelasting zichtbaar was en aldus de fraude voor de fiscus niet zonder meer zichtbaar was. De FIOD heeft becijferd dat de fiscus als gevolg van het handelen van de verdachte met een bedrag van € 215.100,— is benadeeld ter zake van de omzetbelasting. Dat dit bedrag te hoog berekend is, zoals de verdachte stelt, is het hof ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. De verdachte heeft van het door hem veroorzaakte nadeel maar een klein gedeelte vergoed.
Hoewel in de tenlastelegging een selectie van de aangiften omzetbelasting is gespecificeerd, is het hof van oordeel dat bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het nadeel dat is ontstaan als gevolg van het indienen van alle onjuiste aangiften over de jaren 2013 tot en met 2016.
De verdachte is immers in het vooronderzoek over alle aangiften, dus meer dan de in de tenlastelegging gespecificeerde aangiften, gehoord en ter terechtzitting in hoger beroep zijn alle aangiften in de tenlastegelegde periode aan de orde gekomen, waarna hij ter zake van het opzettelijk onjuist indienen van die aangiften in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen. Het hof stelt in dit verband voorts vast dat de modus operandi bij het doen van de onjuiste aangiften telkens dezelfde was.
Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met de heffing van omzetbelasting wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt uiteindelijk ertoe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat een (rechts)persoon een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. Door aangiften te laten doen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Door de onjuiste aangiften omzetbelasting heeft de verdachte verder ten behoeve van zijn eenmanszaak een oneerlijke concurrentiepositie verworven ten opzichte van andere deelnemers aan het economisch verkeer.
Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2022, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Het hof is van oordeel dat, ondanks de bovengenoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, al dan niet in combinatie met een taakstraf, waartoe door de verdediging is verzocht, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde, zodat het hof daartoe niet zal overgaan.
Alles afwegende acht het hof (in beginsel) de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Daarbij heeft het hof mede de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude, in aanmerking genomen. In hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om ten gunste van de verdachte af te wijken van voormeld uitgangspunt. Met name afgezet tegenover de ernst van de bewezenverklaarde legt hetgeen door of namens de verdachte naar voren is gebracht onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andersluidend oordeel te komen.”
3.3
Bij de beoordeling van het middel, dient het volgende te worden vooropgesteld. Straftoemeting is bij uitstek het domein van de feitenrechter, aan wie de keuze is voorbehouden van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten. De rechter dient zich bij de selectie van de gegevens die hij voor de straftoemeting wil bezigen te beperken tot hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. [1] Feiten en omstandigheden waarop de feitenrechter de sanctie doet rusten, mogen niet speculatief van aard zijn. [2]
3.4
Het is de feitenrechter echter in de volgende drie gevallen toegestaan om een niet tenlastegelegd feit dan wel feiten mee te nemen in de straftoemeting:
i) indien het gaat om een ad informandum gevoegd feit en - in een geval waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen - op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of
ii) indien dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel
iii) indien de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. [3]
In zaken als de onderhavige, waarin het in het bijzonder gaat om verdenking van grootschalige fiscale fraude, kan dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter dient op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk te zijn geworden. [4]
3.5
Het hof heeft in onderhavige zaak bewezenverklaard dat de verdachte in totaal vijf valse aangiften heeft gedaan. Het hof heeft het de verdachte aangerekend dat hij “listig en geraffineerd” heeft gehandeld bij het aanleveren van verkeerde gegevens voor de belastingaangiften. De verdachte heeft over meerdere jaren zijn handelwijze voortgezet, ondanks dat hij door de administrateur was gewezen op het feit dat de door de verdachte berekende voorbelasting niet juist was. Uit de aantekeningen van de verdachte zelf blijkt dat hij uit de omzetbedragen de omzetbelasting berekende, maar dat hij voor de in aftrek te brengen voorbelasting volle bedragen in aanmerking nam in plaats van de omzetbelasting die daarin begrepen was. De fraude werd met medewerking van de administrateur verwerkt in de jaarrekeningen, waardoor fraude voor de Belastingdienst niet zichtbaar was. Daarnaast oordeelt het hof dat het bij de straftoemeting rekening kan houden met het
nadeeldat is ontstaan als gevolg van het indienen van
alleonjuiste aangiften. [5] Het hof heeft dit nadeel vastgesteld op € 215.100. Het hof heeft ook vastgesteld dat de modus operandi in alle aangiften telkens hetzelfde was. De verdachte is verder in het vooronderzoek gehoord over alle aangiften en alle aangiften zijn tevens tijdens het onderzoek ter terechtzitting behandeld. De verdachte Hij is in de gelegenheid gesteld om over alle aangiften een verklaring af te leggen, aldus het hof.
3.6
Over dit laatste zou ik nog willen vermelden dat blijkens het proces-verbaal van de zitting van 7 juni 2022 de verdachte verklaart: “Het klopt wel dat ik onjuiste aangiften van omzetbelasting heb gedaan (…).” Daarna zijn hem volgens dit proces-verbaal de stukken van de strafzaak die zich in het dossier bevinden voorgehouden en heeft hij de gelegenheid gehad zich daarover uit te laten. In het bij het hof gevoerde verweer heeft de verdediging zich niet gekeerd tegen het gegeven dat ook de rechtbank al voor de straftoemeting is uitgegaan van een hoger nadeel dan voortvloeit uit de bewezenverklaarde onjuiste aangiften. Weliswaar is een kanttekening geplaatst bij de hoogte van dit nadeel, maar daar zij geen consequenties aan verbonden. De pleitnota, die volgens het proces-verbaal van het hof als daar herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, houdt hierover in:
“3.5. Cliënt merkt wel nog steeds en stellig op dat het berekende nadeel dat is berekend (o.b.v. de belastingaangiften naast de grootboekrekeningen), niet klopt. Er zouden volgens hem meer kosten zijn gemaakt dan in de grootboekrekeningen terecht is gekomen. Ook een deel van de investering in de bakkerij is eerder gefinancierd dan in 2016. Wat daar ook van zij, cliënt kan dit niet onderbouwen. Hij heeft geen facturen meer en daar staat tegenover dat het onderzoek is verricht op basis van de administratie die wel is aangetroffen en voor cliënt belastende verklaringen.”
3.7
Eerder dit jaar oordeelde de Hoge Raad over een strafmotivering die grote gelijkenissen vertoonde met het hiervoor weergegeven arrest in deze zaak. De Hoge Raad overwoog [6] :
“Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte in de in de tenlastelegging genoemde periode opzettelijk vijf onjuiste aangiften omzetbelasting heeft laten indienen en feitelijk leiding heeft gegeven aan het door rechtspersonen opzettelijk indienen van negen onjuiste aangiften omzetbelasting en dertien onjuiste aangiften voor de loonheffing. Het hof heeft bij de strafoplegging – naast de 27 in de bewezenverklaring opgenomen aangiften – ook andere zich in het dossier bevindende aangiften omzetbelasting over de tenlastegelegde periode betrokken, waarbij het hof is uitgegaan van een totaal fiscaal nadeel van € 2.225.240. In de strafmotivering ligt als oordeel van het hof besloten dat de aangiften omzetbelasting die niet in de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn genoemd, kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de 27 in de bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en waaruit het grootschalige karakter van de bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt.
Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de 27 in de bewezenverklaring betrokken aangiften “een selectie” zijn van de andere in de strafoplegging betrokken aangiften en “de modus operandi” bij het doen van de onjuiste aangiften telkens dezelfde was. Verder heeft het hof onder meer vastgesteld dat op de terechtzitting in hoger beroep “alle aangiften in de tenlastegelegde periode” (en dus ook de niet tenlastegelegde aangiften) aan de verdachte zijn voorgehouden, en de verdachte over het opzettelijk onjuist indienen van al die aangiften in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen, welke vaststelling niet onbegrijpelijk is gelet op het (…) proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.”
3.8
Het hof heeft in het arrest in de onderhavige zaak eveneens kennelijk geoordeeld dat op grond van het verhandelde ter zitting een fiscale fraude met een grootschalig karakter aannemelijk is geworden, ook al is maar een deel daarvan bewezenverklaard, waardoor niet tenlastegelegde feiten mogen worden meegewogen in de straftoemeting. Gelet op het voorgaande getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is deze vaststelling evenmin onbegrijpelijk.
3.9
Anders dan de steller van het middel, lees ik het arrest niet zo dat het hof medeplegen van het doen van onjuiste aangiften als strafverzwarende omstandigheid heeft laten meewegen. Het hof heeft slechts overwogen dat de verdachte heeft samengewerkt met zijn administrateur om zijn strafbare daden te verbergen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft de uitlating van de administrateur dat “de wijze van wegboeking [z]ijn fout is”, kennelijk niet opgevat als betrekking hebbende op het opstellen van de jaarrekening. Deze uitleg is geenszins onbegrijpelijk.
3.1
Het middel faalt.

Het tweede middel

4.1
Het tweede middel klaagt dat het hof een onjuist beginpunt van de redelijke termijn in eerste aanleg heeft gehanteerd en derhalve het beroep op strafvermindering op ontoereikende gronden heeft verworpen.
4.2
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 7 juni 2022 heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota verweer gevoerd. Ten aanzien van de redelijke termijn houdt de pleitnota, zonder overname van voetnoten, het volgende in:

“5. Redelijke termijn

5.1
 30 april 2013 tot en met 31 januari 2017: ten laste gelegde periode.
 11 april 2018: boekenonderzoek met cautie-verhoor [betrokkene 1] .
 25 oktober 2018: doorzoeking met RC in woning cliënt (…) en bedrijfsadres eenmanszaak cliënt (…).
 2 april 2019 verhoor cliënt.
 21 juni 2021 vonnis.
5.2
Er is sprake van een langlopend fraudeonderzoek, dat in sfeer is overgegaan van een boeken- of controleonderzoek naar een opsporingsonderzoek. De rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg slechts beperkt is geschonden en laat het bij een constatering. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de redelijke termijn pas is aangevangen op 2 april 2019, de dag van verhoor.
5.3
Met deze overweging en de enkele constatering, kan de verdediging zich niet verenigen. Op 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m. nt. P.A.M. Mevis) een samenvatting gegeven van de in eerdere arresten geformuleerde uitgangspunten en (vuist)regels over de redelijke termijn.
5.4.
Ten aanzien van de aanvang van die termijn wordt overwogen dat moet worden gerekend: "[V]anaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht
waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld(onderstreping, RP). Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM Pro niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden."
5.5.
Er is dus geen algemene regel te vinden, omdat voor 6 EVRM moet worden aangesloten bij de "criminal charge". Daaronder kunnen juist ook vallen klassieke daden van vervolging door het Openbaar Ministerie. Daden zoals het vorderen van onderzoek door de rechter-commissaris op grond van art. 181 Sv Pro of een vordering tot doorzoeking ter inbeslagneming ex art. 110 Sv Pro.
5.6.
Hier is op 25 oktober 2018 op vordering van de officier van justitie niet alleen de woning van cliënt doorzocht, maar ook het bedrijfspand van zijn eenmanszaak. Daar zijn diverse goederen in beslag genomen. Aan die combinatie van overheidsoptreden kon cliënt in redelijkheid de verwachting ontlenen dat strafvervolging zou worden ingesteld, hetgeen ook is gebeurd.
5.7.
Daarmee is sprake van een schending van de redelijke termijn van ongeveer acht maanden. Een schending die in het geheel niet aan cliënt te wijten is, zoals ook de rechtbank overweegt. Er zijn op verzoek van de verdediging geen getuigen gehoord of aanhoudingsverzoeken gedaan.
5.8.
Zoals gezegd, vreet de zaak aan cliënt en wil hij na het door het door u te wijzen arrest, zijn straf ondergaan en verder met zijn leven. Hij heeft in eerste aanleg daarop te lang moeten wachten. Ik verzoek uw hof dat door te laten wegen in de op te leggen straf.”
4.3
Het hof heeft ten aanzien van de redelijke termijn het volgende overwogen:
“Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Bij de strafvervolging van de verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, geschonden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het voornemen had tegen hem strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval wordt die termijn gerekend vanaf 2 april 2019, de datum van het verhoor van de verdachte door de FIOD. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat de verdachte in de onderhavige zaak vanaf het verhoor door de FIOD, waarbij hem uitdrukkelijk als verdachte de cautie werd gegeven, in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld en niet reeds vanaf de datum van doorzoeking van zijn woning en bedrijfspand. Immers de doorzoeking had tot doel het verzamelen van bewijsmiddelen ter staving van een gerezen verdenking, echter brengt dat op zich nog niet met zich mee dat ook een strafvervolging volgt, nu dat immers afhankelijk is van hetgeen wordt aangetroffen.
De behandeling in eerste aanleg is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Het vonnis is namelijk gewezen op 21 juni 2021, zodat sprake is van een overschrijding van bijna 3 maanden in de fase van eerste aanleg. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt wel afgedaan met een eindarrest binnen twee jaar na de datum van instellen van het hoger beroep.
Nu de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden, zal het hof deze overschrijding verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal worden gematigd met 1 maand. Aan de verdachte zal een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, worden opgelegd.”
4.4
Volgens vaste rechtspraak wordt als het beginpunt van de redelijke termijn aangemerkt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Volgens deze rechtspraak valt een meer specifieke regel daaromtrent niet te geven. [7] Dit sluit niet uit dat een doorzoeking van een huis en een kantoor als beginpunt wordt aangenomen. Voor zover ik kan nagaan is er nog geen zaak in cassatie geweest waarbij de Hoge Raad zich hier expliciet over heeft uitgelaten. [8]
4.5
Onjuist lijkt mij het standpunt dat in het middel wordt ingenomen en dat erop neerkomt dat het enkele feit dat voor de doorzoeking een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, maakt dat het beginpunt van de redelijk termijn moet worden gesteld op het moment dat de verdachte kennis kreeg van die doorzoeking. Daarmee zou het begrip ’criminal charge’ van art. 6 lid 1 EVRM Pro, dat de berechting binnen een redelijke termijn eist, voor een gedeelte worden gelijkgesteld met het begrip ‘vervolging’ naar Nederlandse recht. Dit zou afbreuk doen aan de autonome betekenis die het begrip ‘criminal charge’ in de zin van het EVRM heeft. Niet voor niets overweegt de Hoge Raad dat geen specifieke regel is te geven.
4.6
Dit neemt niet weg dat in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vele voorbeelden te vinden zijn van gevallen waarin het tijdstip van een doorzoeking als beginpunt voor de redelijke termijn wordt genomen. Dit vindt zijn oorsprong in de twee criteria die het EHRM toepast om vast te stellen of sprake is van een ‘criminal charge’. Ten eerste zal daarvan sprake zijn bij een officiële mededeling van een beschuldiging aan de verdachte. Daarmee wordt echter gelijkgesteld een handeling die een substantiële invloed heeft op de situatie van de verdachte. Dat dit laatste een doorzoeking kan zijn, wordt duidelijk in het arrest Barry tegen Ierland [9] :
“31. The applicant complained that the length of the proceedings was incompatible with the “reasonable time” requirement of Article 6 § 1 of the Convention, which provision, in so far as relevant, reads as follows:
“In the determination of ... any criminal charge against him, everyone is entitled to a ... hearing within a reasonable time by [a] ... tribunal...”
32. The Government contested that argument.
33. The applicants argued that the period to be taken into consideration began on 6 June 1995, when the applicant’s home and office were searched under warrant. The Government submitted that time should run from 30 October 1997 when he was informed of the charges against him.
34. In
Eckle v. Germany, judgment of 15 July 1982, Series A no. 51, § 73 the Court said:
“In criminal matters, the “reasonable time” referred to in Article 6 § 1 begins to run as soon as a person is “charged”; this may occur on a date prior to the case coming before the trial court (see, for example, the
Deweerjudgment of 27 February 1980, Series A no. 35, p. 22, par. 42), such as the date of arrest, the date when the person concerned was officially notified that he would be prosecuted or the date when preliminary investigations were opened (see the
Wemhoffjudgment of 27 June 1968, Series A no. 7, pp. 26-27, par. 19, the
Neumeisterjudgment of the same date, Series A no. 8, p. 41, par. 18, and the
Ringeisenjudgment of 16 July 1971, Series A no. 13, p. 45, par. 110). “Charge”, for the purposes of Article 6 § 1, may be defined as “the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence”, a definition that also corresponds to the test whether “the situation of the [suspect] has been substantially affected” (see the above-mentioned
Deweerjudgment, p. 24, par. 46).”
The Court recalls that, in the above-cited
Ecklecase, it found that the applicant had been “charged” at the moment when the search warrant against his property was issued and executed (
op. cit. § 75).
35. Accordingly, the Court considers that the period to be taken into consideration began on 6 June 1995, the day on which it can be said the applicant was “substantially affected” within the meaning of the
Ecklejudgment. (…)”
4.7
Het EHRM wijst hier naar rechtspraak uit 1982 die sindsdien vaker is toegepast. Daarbij geldt wel de eis dat het moet gaan om een doorzoeking die betrekking had op de verdenking die heeft geleid tot de zaak waarin de rechter wordt gevraagd te oordelen over de duur van de berechting. [10] In enkele arresten lijkt het EHRM daarbij nader te onderzoeken of de doorzoeking inderdaad belangrijke gevolgen heeft gehad voor de verdachte, [11] maar in andere arresten is dit aanvullende onderzoek niet als zodanig te onderscheiden. [12]
4.8
Gelet hierop kan de vraag worden gesteld of het oordeel van het hof over het beginpunt (zonder meer) begrijpelijk is, nu het enkel heeft overwogen dat de doorzoeking tot doel had bewijsmiddelen te verzamelen ter staving van een gerezen verdenking en dat juist hetgeen wordt aangetroffen mede bepaalt of een strafvervolging volgt.
4.9
Ik laat dit punt echter rusten omdat er naar mijn oordeel hoe dan ook geen belang bestaat bij cassatie. Het hof heeft bij de strafoplegging al wel rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met drie maanden. Dit heeft ertoe geleid dat het hof niet zeven, maar zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd. Dat is een korting van veertien procent. Zou worden uitgegaan van de doorzoeking als beginpunt, dan zou sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn met iets minder dan acht maanden. Dat de door hof toegepaste, al forse korting dan nog hoger zou worden, lijkt mij geenszins te verwachten. Dat het hof - bij het aannemen van een eerder aanvangsmoment - tot een hogere strafkorting had moeten besluiten wordt in cassatie overigens ook gesteld noch onderbouwd.
4.1
Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

Het derde middel

5.1
Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Namens de verdachte is op 29 juni 2022 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 maart 2023 binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met een maand overschreden. Deze termijnoverschrijding dient te leiden tot vermindering van de opgelegde straf in de mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen. [13]

Afronding

6.1
De eerste twee middelen falen. In elk geval het eerste middel lijkt mij te kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
2.G.J.M. Corstens,
3.HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, rov. 2.4; HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, rov. 2.3.1; HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:124, rov. 2.3.1.
4.HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, rov. 2.4; HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, rov. 2.3.2; HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:124, rov. 2.3.2.
5.Hoewel door het hof niet wordt vastgesteld over hoeveel aangiften het in totaal gaat, valt uit de tenlastelegging op te maken dat de verdachte telkens kwartaalaangiften deed, waardoor het maximum aantal onjuiste aangiften rond de vijftien aangiften bedraagt.
6.HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1090.
7.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.12.1.
8.Een doorzoeking als beginpunt was wel aan de orde in HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:591 en de bijbehorende conclusie van AG Vellinga, ECLI:NL:PHR:2017:216, alsmede in HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1285 en de bijbehorende conclusie van AG Vegter. In HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7697, werd een doorzoeking niet aangemerkt als beginpunt, maar dat had (in ieder geval) als reden dat deze doorzoeking was gebaseerd op een rechtshulpverzoek en dus niet uitging van de Nederlandse autoriteiten.
9.EHRM 15 december 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1215JUD001827304.
10.EHRM 31 maart 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0331JUD002304393 (Reinhardt en Slimane-Kaïd tegen Frankrijk) rov. 93 laatste alinea, en EHRM 8 juni 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0608JUD004158598 (Lehtinen tegen Finland. rov. 28-30. In beide zaken had de doorzoeking geen betrekking de relevante verdenking, Dat was juist wel het geval in EHRM 13 november 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1113JUD002607303 (Ommer tegen Duitsland) rov. 69.
11.EHRM 23 oktober 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:1023JUD006082100 (Diamantides tegen Griekenland), rov. 20 en 21, EHRM 28 oktober 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:1028JUD005907200 (Gonzalez tegen Spanje). rov. 30, en EHRM 15 juli 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0715JUD003737097 (Stratégies et Communications et Dumoulin tegen België), rov. 42.
12.Behalve het al aangehaalde arrest van Barry tegen Ierland bijvoorbeeld EHRM 21 september 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0921JUD005570500 (Mc Hugo tegen Zwitserland), rov. 39, en EHRM 22 juni 2000,
13.HR 14 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.