Belanghebbende, woonachtig in Nederland, ontving in 2007 een ontslagvergoeding na werkzaamheden in Nederland, het Verenigd Koninkrijk, België en Duitsland. De verdeling van de heffingsbevoegdheid over deze vergoeding tussen Nederland en Duitsland was onderwerp van geschil.
De Hoge Raad bevestigt de eerdere arresten BNB 2004/344 en 345 waarin een rekenregel is vastgesteld voor de verdeling van de heffingsbevoegdheid. De Staatssecretaris voerde aan dat een Regeling tussen Nederland en Duitsland een andere verdeling rechtvaardigt, maar het hof en de Hoge Raad oordelen dat deze Regeling niet kan afwijken van het Verdrag zoals door de Hoge Raad is uitgelegd.
De Hoge Raad wijst het beroep in cassatie af en oordeelt dat het niet-heffen van belasting in Duitsland over de ontslagvergoeding geen bijzondere omstandigheid vormt die een afwijkende heffingsverdeling rechtvaardigt. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.