Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
9 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft de omzetting van een in België opgelegde gevangenisstraf van 7 jaren naar een Nederlandse gevangenisstraf van 51 maanden. De Rechtbank Rotterdam had de tenuitvoerlegging van de buitenlandse straf toelaatbaar verklaard en de straf passend en geboden geacht, rekening houdend met de detentieomstandigheden in Peru en de tijd die de veroordeelde daar in uitleveringsdetentie had doorgebracht.
De veroordeelde voerde in cassatie aan dat de rechtbank onvoldoende had onderzocht of zijn strafrechtelijke positie door de omzetting was verzwaard, met name gelet op de voorwaardelijke invrijheidstelling die hij in België waarschijnlijk zou hebben gekregen. De Hoge Raad herhaalt de relevante criteria uit eerdere jurisprudentie en stelt dat de rechtbank de waarschijnlijkheid van de strafrechtelijke positie in België adequaat heeft onderzocht.
De rechtbank had de Belgische straf van 84 maanden verminderd met 27 maanden vanwege de zware uitleveringsdetentie in Peru en 6 maanden wegens tijdsverloop, wat resulteerde in de opgelegde straf van 51 maanden. De Hoge Raad acht het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd en verwerpt het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de omzetting van de Belgische straf in een Nederlandse gevangenisstraf van 51 maanden en verwerpt het cassatieberoep.