Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in art. 31, tweede lid, WOTS de door de verdachte in Peru in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd als strafverminderende omstandigheid heeft meegenomen bij het bepalen van de op te leggen straf in plaats van die tijd af te trekken van de ten uitvoer te leggen straf.
1. (…)
2. (…)
3. Delen van de door de verzoekende Staat opgelegde sanctie en perioden van voorlopige hechtenis, die door de veroordeelde zijn ondergaan na het vonnis, worden integraal in mindering gebracht. Hetzelfde geldt voor de preventieve hechtenis die de veroordeelde in de verzoekende Staat vóór zijn veroordeling heeft ondergaan, voor zover de wet van die Staat dat vereist.
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in art. 31, eerste lid, WOTS en art 44, tweede lid, EVIG, in haar uitspraak er geen blijk van heeft gegeven of – althans op grond van welke informatie – is onderzocht of de strafrechtelijke positie van de [veroordeelde] wordt verzwaard, zodat de bestreden uitspraak om die reden ontoereikend is gemotiveerd.
Vervroegde invrijheidstelling
derde middelbehelst de klacht dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in art. 31, eerste lid, WOTS de in België bewezenverklaarde feiten ten onrechte heeft gekwalificeerd als deelname aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr Pro en het verweer daaromtrent zonder nadere motivering heeft verworpen, zodat de bestreden uitspraak ontoereikend is gemotiveerd.